|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/4327 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellante heeft hoger beroep doen instellen tegen de door de rechtbank
Almelo op 10 juli 2002 tussen partijen onder kenmerk 01/558 gewezen
uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 april 2005, waar
namens appellante is verschenen G.A.M.Schepers, bijgestaan door mr. J.P.M.
van Zijl, advocaat te Tilburg, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. K.D. van Someren, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Het bestreden besluit betreft de vaststelling van de door appellante als
grote werkgever in 2001 verschuldigde, gedifferentieerde premie als
bedoeld in artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO). Hierbij is mede bepalend geweest de aan een ex-werknemer van
appellante (hierna: betrokkene) bij besluit van 10 maart 1999 met ingang
van 16 november 1998 toegekende uitkering krachtens deze wet.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen,
zakelijk, dat de beroepsgronden die zien op de toekenning van
WAO-uitkering aan betrokkene afstuiten op het bepaalde in artikel 87e
van de WAO en verworpen het betoog van appellante dat sprake is van
willekeur of ongelijke behandeling doordat werkgevers met een (in de
loop van de jaren) stijgende loonsom verdergaande gevolgen van de
gedifferentieerde premie ondervinden in vergelijking met werkgevers
waarvan de betaalde loonsom daalt of gelijk blijft.
De Raad overweegt het volgende.
In artikel 87e van de WAO is bepaald dat het bezwaar of beroep van een
werkgever tegen de in artikel 75a, vierde lid van de WAO, bedoelde
betaling dan wel tegen de in artikel 78, derde of vierde lid van de WAO,
bedoelde opslag of korting niet kan zijn gegrond op de grief, dat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is vastgesteld. Deze bepaling strekt er toe om de discussie omtrent de
juistheid van de toekenning en hoogte van de WAO-uitkering te
concentreren in een tegen de toekenningsbeslissing gerichte procedure.
In een procedure betreffende de gedifferentieerde premie kunnen daarmee
slechts die grieven aan de orde komen die niet zien op de toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen waarop de berekening van genoemde
premie is gebaseerd. Grieven met betrekking tot een toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering, waaronder de ingangsdatum, kunnen
slechts slagen in een procedure over die uitkering. Appellante heeft
tegen het toekenningsbesluit van 10 maart 1999 geen rechtsmiddel
aangewend.
Onder het bereik van artikel 87e van de WAO vallen, blijkens de
uitspraak van de Raad van 24 februari 2005, USZ 2005/158, ook grieven
die zien op de door gedaagde verrichte reïntegratie-inspanningen en de
tijdigheid van tussentijdse keuringen.
Het beroep op het willekeurverbod heeft de rechtbank terecht verworpen.
Daarbij tekent de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 22
januari 2004, USZ 2004/97, aan dat voor een geslaagd beroep op het
gelijkheidsbeginsel niet kan worden volstaan met de stelling dat de
uitvoering van de WAO te wensen overlaat. Als die stelling al als juist
zou moeten worden aanvaard, dan nog volgt daaruit geenszins dat
appellante daardoor (middellijk) een andere behandeling ten deel is
gevallen dan andere (groepen van) premieplichtige werkgevers.
Dat de effecten van de premiedifferentiatie groter zijn voor werkgevers
met een stijgende loonsom in vergelijking met werkgevers met een
gelijkblijvende of dalende loonsom betekent, zoals de Raad eerder in
zijn uitspraak van 18 december 2003 in de zaak 01/1448, 02/3361, 02/3362
en 03/1869 WAO heeft overwogen, niet dat sprake is van schending van het
gelijkheidsbeginsel.
Sedert het indienen van het bezwaarschrift op 9 januari 2001 is niet een
zodanig lange periode verstreken dat sprake is van overschrijding van de
in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden bedoelde redelijke termijn.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak kan worden
bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gegeven door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2005.
(get.) R.C. Stam.
(get.) R.E. Lysen.
|
|