|
Uitspraak
03/2358 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 30 juli 2001 heeft gedaagde de uitkering van appellant
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke
laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80
tot 100%, met ingang van 27 september 2001 herzien naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Gedaagde heeft het tegen dit besluit door mr. R.P.E. Siemons, advocaat
te Rotterdam, namens appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 14 juni
2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft het door mr. D.A. Darff, advocaat te
Rotterdam en kantoorgenoot van mr. Siemons, voornoemd, ingestelde beroep
tegen het besluit van 14 juni 2002 (hierna: het bestreden besluit) bij
uitspraak van 2 april 2003, reg.nr. WAO 02/1866-STU, ongegrond
verklaard.
De gemachtigde van appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift, met
bijlagen, aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep
ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlage ingediend en heeft bij
brief van 14 december 2004 op verzoek van de Raad nadere informatie
verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 april 2005, waar
appellant niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr.
M.K. Dekker, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant was werkzaam als medewerker tabaksvoorbewerking toen hij op 28
januari 1986 uitviel na een val op zijn werk. Na het doorlopen van de
daarvoor geldende wachttijd heeft de rechtsvoorgangster van gedaagde bij
besluit van 13 maart 1987 aan appellant met ingang van 29 januari 1987 onder andere
een WAO-uitkering verstrekt, welke werd berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van de
herbeoordeling op grond van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen is appellant op 15 februari 2001
onderzocht door de verzekeringsarts R. Gart. Blijkens het rapport van
zijn onderzoek van dezelfde datum achtte Gart in verband met de door hem
vastgestelde afwijkingen appellant aangewezen op lichte werkzaamheden.
Voorts achtte Gart het noodzakelijk om reden van de spanningshoofdpijn
van appellant uit preventief oogpunt een beperking op te nemen voor
hoogten of gevaar opleverende situaties. Gart werkte zijn bevindingen
uit in een bij zijn rapport gevoegd belastbaarheidsprofiel, dat blijkens
zijn nader rapport van 16 maart 2001 geen wijziging behoefde vanwege de
van de huisarts ontvangen informatie van 13 maart 2001. Volgens Gart
bevatte deze informatie geen nieuwe feiten of inzichten. Vervolgens vond
functieduiding plaats en berekende de arbeidsdeskundige D.A. Hueting in
zijn rapport van 2 maart 2001 het verlies aan verdiencapaciteit op
37,4%, waarna gedaagde het primaire besluit van 30 juli 2001 nam.
In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringarts J.C. Kokenberg in
zijn rapport van 21 mei 2002, dat gebaseerd is op dossierstudie en op
het verhandelde op de ook door hem bijgewoonde hoorzitting van 21 mei
2001, geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken
van het primaire medische oordeel. Vervolgens heeft gedaagde bij het
bestreden besluit het primaire besluit gehandhaafd.
Naar aanleiding van het beroep van appellant, waarbij onder andere is
gewezen op de vanwege de huisarts verstrekte medicatie in verband met
psychische klachten, heeft de rechtbank geoordeeld dat haar niet is
gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts een onjuist dan wel onvolledig
beeld had van de gezondheidstoestand van appellant en van de daaruit
voortvloeiende beperkingen voor het verrichten van arbeid en heeft zij
het door Gart opgestelde belastbaarheidsprofiel geaccordeerd. Voorts
heeft de rechtbank de op haar verzoek uitgebrachte rapportage van de
bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt van 13 februari 2003
onderschreven. Daarin is Van Mastrigt ingegaan op de actualiseringsdata
van de aan appellant geduide functies en heeft hij na correctie van de
functieduiding, welke bestond uit het laten vervallen van de fb-code
7289 en het vervangen van de enige tot de fb-code 9017 behorende
functie, welke was vermeld op de arbeidsmogelijkhedenlijst van 20
februari 2001, door een andere functie van die fb-code, het verlies aan
verdiencapaciteit berekend op 36,8%
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant herhaald de in
eerdere fasen van de procedure voorgedragen bezwaren tegen de medische
grondslag van het bestreden besluit en zijn standpunt dat het
onbegrijpelijk is dat appellant bij gelijkblijvende klachten thans
minder arbeidsongeschikt in de zin van de WAO wordt geacht.
Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de
Raad in hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd geen
aanknopingspunten gezien daaromtrent anders te oordelen dan de rechtbank
heeft gedaan. De Raad stelt vast dat van de zijde van appellant naar
aanleiding van de - in de bezwaarprocedure door Kokenberg onderschreven
- bevindingen van Gart, die ook de hem verstrekte informatie van de
huisarts heeft beoordeeld, geen nadere informatie van medische aard is
ingebracht welke een ander licht zou kunnen werpen op de
gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding en de in verband
daarmee voor passende arbeid in acht te nemen beperkingen. De Raad
overweegt voorts, dat, ook indien moet worden aangenomen dat de
belastbaarheid van een verzekerde in de loop der tijd niet wezenlijk is
gewijzigd, de systematiek van de WAO meebrengt dat het arbeidskundig
onderdeel van een met het oog op een bepaalde datum uit te voeren
schatting kan leiden tot vaststelling van een lagere mate van
arbeidsongeschiktheid dan eerder voor de betrokken verzekerde is
bepaald.
Nu de Raad ook overigens, mede in het licht van artikel 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht, niet is gebleken dat het bestreden besluit
in rechte geen stand kan houden, slaagt het hoger beroep van appellant
niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A.
Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
|
|