|
Uitspraak
03/2496 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 4 november 1998 heeft gedaagde aan appellant met ingang
van 19 oktober 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Gedaagde heeft het tegen dit besluit door mr. R.M.T. van Diepen,
advocaat te Amsterdam, namens appellant gemaakte bezwaar bij besluit van
18 december 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft het namens appellant ingestelde beroep
tegen het besluit van 18 december 2001 (hierna: het bestreden besluit)
bij uitspraak van 7 april 2003, reg.nr. WAO 02/284-LAME, ongegrond
verklaard.
De gemachtigde van appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift
aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft van verweer gediend en heeft bij brief van 30 september
2003 een rapport van de arbeidsdeskundige ing. J.A.M. Snijders van 24
september 2003 ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 april 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en
de tolk A. Cakici, en waar namens gedaagde is verschenen mr. J.J.
Bakker, werkzaam bij Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant was werkzaam als medewerker rozenteelt toen hij op 20 oktober
1997 uitviel met gewrichtsklachten in vooral de rechterschouder, de -pols, de
-knie en de -enkel. Na verzekeringsgeneeskundig en
arbeidskundig onderzoek heeft gedaagde het in rubriek I van deze
uitspraak nader omschreven primaire besluit van 4 november 1998 genomen.
Gedaagde heeft het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar
bij besluit van 24 mei 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam
heeft het namens appellant ingestelde beroep tegen laatstgenoemd besluit
bij uitspraak van 8 februari 2001 gegrond verklaard, dit besluit
vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te
nemen met inachtneming van de inhoud van de uitspraak. In haar uitspraak
heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud de door appellant
ingebrachte bezwaren tegen de medische grondslag van het besluit van 24
mei 2000 verworpen en die grondslag onderschreven. De rechtbank
vernietigde het besluit van 24 mei 2000 echter omdat de arbeidskundige
grondslag van dit besluit naar het haar oordeel niet voldeed aan het
vereiste van een deugdelijke motivering, neergelegd in artikel 7:12,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelde
namelijk vast dat een door de bezwaarverzekeringsarts noodzakelijk
geacht arbeidskundig heronderzoek naar de geschiktheid van appellant
voor de geduide functies vanwege een gebleken arbeidskundig
meningsverschil tussen de bezwaararbeidsdeskundige en de adviserend
arbeidsdeskundige niet had plaatsgevonden.
Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 8 februari 2001
heeft de adviserend arbeidsdeskundige R. van der Stroom in zijn rapport
van 27 maart 2001 onder andere de overschrijdingen van de belastbaarheid
van appellant in de functies samensteller en inpakster koekjes nader
onderzocht ten aanzien van onder andere de onderdelen hand- en
vingervaardigheid en reiken. De bezwaarverzekeringsarts A.D.J. Versteeg heeft dit rapport voor akkoord getekend. Voorts heeft de
bezwaararbeidsdeskundige J.F. Stoffijn op 11 september 2001 een rapport
opgemaakt met als conclusie dat een gedeeltelijk gewijzigde
functieduiding niet leidt tot indeling van appellant op de datum in
geding in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse. De medische
geschiktheid van appellant voor de bijgeduide functies, met name ook wat
betreft het geleiden van stof in de functie confectienaaister, werd op 1
november 2001 door Versteeg onderschreven. Vervolgens heeft gedaagde in
lijn met deze rapporten het bestreden besluit genomen.
In de beroepsprocedure tegen het bestreden besluit heeft de gemachtigde
van appellant arbeidskundige bezwaren ingebracht en voorts ook de in de
eerdere beroepsprocedure voorgebrachte medische bezwaren gehandhaafd.
Wat betreft dit laatste heeft de gemachtigde tevens gesteld dat de
rechtbank in haar uitspraak van 8 februari 2001 ten onrechte aan zijn
klachten is voorbijgegaan.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak deze medische gronden en
de arbeidskundige gronden beoordeeld en het beroep vervolgens ongegrond
verklaard.
De Raad stelt vast dat appellant noch gedaagde tegen de uitspraak van 8
februari 2001 hoger beroep heeft ingesteld, zodat - gelijk de Raad
reeds eerder heeft geoordeeld in bijvoorbeeld zijn uitspraak van 13 juni
2001 (USZ 2001,220) - het substraat van het bestreden besluit met
betrekking tot het medisch aspect reeds in rechte is komen vast te
staan. Bij de thans aangevallen uitspraak had de rechtbank zich dan ook
moeten onthouden van een oordeel omtrent de wederom ingebrachte medische
bezwaren van appellant, die in de eerdere uitspraak reeds uitdrukkelijk
en zonder voorbehoud waren verworpen en derhalve buiten de omvang van
het geding in eerste aanleg vielen.
De Raad gaat voorts voorbij aan het feit dat in de overwegingen van de
aangevallen uitspraak ten onrechte als datum in geding 4 november 1998
is vermeld. Mede gelet op de juiste vermelding van de ingangsdatum van
het primaire besluit in rubriek 1 van de aangevallen uitspraak is geen
andere conclusie mogelijk dan dat de foutieve vermelding op een
kennelijke verschrijving berust.
Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
overweegt de Raad in de eerste plaats dat Snijders in zijn rapport van
24 september 2003 heeft aangegeven dat de door Stoffijn bij de
voorbereiding van het bestreden besluit als reservefunctie geselecteerde
functie chauffeur bestelauto dient te vervallen. Dit brengt mee dat bij
de arbeidskundige beoordeling van de onderhavige schatting alleen nog
aan de orde zijn de drie door Stoffijn voor de vaststelling van de
restverdiencapaciteit van appellant reeds in aanmerking genomen
functies, te weten samensteller (fb-code 8463) en inpakster koekjes (fb-code
9717), welke reeds bij het primaire besluit in aanmerking zijn genomen,
alsmede de door Stoffijn toegevoegde functie confectienaaister (fb-code
7952). Blijkens zijn brief van 30 september 2003 heeft gedaagde voorts
de berekening van de restverdiencapaciteit enigszins gewijzigd, hetgeen
evenwel geen gevolgen heeft voor de bij het bestreden besluit
vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van appellant.
De bezwaren tegen de geduide functies betreffen met name de
overschrijdingen op de onderdelen hand- en vingergebruik en reiken. Aan
de bezwaren van appellant tegen de eventuele psychisch belastende
factoren in de geduide functies gaat de Raad voorbij, nu gedaagde bij
het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van appellant daarvoor geen
beperkingen had vastgesteld en blijkens het hiervoor overwogene deze
vaststelling buiten de omvang van het geding in eerste aanleg viel.
Evenals de rechtbank ziet de Raad de arbeidskundige grieven van
appellant tegen de geduide functies niet slagen. De Raad wijst er in de
eerste plaats op dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak de in het
rapport van Van der Stroom beschreven beperkingen van appellant ten
aanzien van het hand- en vingergebruik met juistheid als volgt heeft
weergegeven:
“Blijkens de rapportage van 27 maart 2001, is er een nader onderzoek
gedaan naar de passendheid van de geduide functies, waarbij ingegaan is
op de punten waarop de bezwaararbeidsdeskundige geconcludeerd heeft dat
twee van de functies zijn komen te vervallen. Hierbij is in de eerste
instantie geconcludeerd dat eiser door zijn rechter polsklachten beperkt
is in het doen van priegelwerk, het roteren van de pols en veel kracht
zetten met rechterarm en - hand. Met inachtneming van deze beperkingen
is hij in staat om met beide armen tegelijk te werken en is hij niet als
éénarmig te beschouwen. Ook bij het tillen en dragen kan zijn
rechterarm gebruikt worden, zeker ter ondersteuning en geleiding en de
driepuntsgreep kan zowel met links als met rechts veelvuldig gemaakt
worden.”
In het licht van deze beschrijving van de beperkingen van appellant ten
aanzien van het hand- en vingergebruik komt ook de Raad tot de slotsom
dat niet kan worden gezegd dat gedaagde de aan de schatting ten
grondslag gelegde functies niet zou kunnen vervullen. De functie
samensteller betreft immers tweehandig werk en het hanteren van klein
handgereedschap in deze functie wordt niet begrepen onder priegelwerk,
waarvoor appellant niet geschikt wordt geacht. Voorts is niet gebleken
dat de in de functie inpakster vereiste fijne motoriek niet binnen de
mogelijkheden van appellant valt, nu de in deze functie vereiste
driepuntsgreep blijkens het rapport van Van der Stroom door appellant
kan worden verricht.
Wat betreft het reiken is van de zijde van gedaagde ter zitting van de
Raad aangegeven dat daarvoor in het FIS-formulier een onderscheid is
gemaakt tussen de belasting voor de linker- en de rechterhand en dat in
het belastbaarheidspatroon de strakke code voor de rechterhand is
aangehouden.
De Raad is ten slotte, anders dan de gemachtigde van appellant meent van
oordeel, dat ook de bijgeduide functie confectienaaister (fb-code 7952)
een functie is waarvan genoegzaam vaststaat dat deze ten tijde van de
datum in geding met voldoende arbeidsplaatsen in het FIS-systeem
voorkwam en wat betreft belastende factoren voor appellant geschikt is.
Naast de arbeidsmogelijkhedenlijst van 10 september 2001 met vermelding
van deze functie bevindt zich immers in het dossier ook een historische
versie van deze functie met als datum 23 mei 1997.
Uit al het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand
kan houden en dat de aangevallen uitspraak, zij het in verband met het
hiervoor overwogene omtrent de omvang van het geding in eerste aanleg in
dat opzicht met verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2005.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|