|
Uitspraak
03/3357 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het
Lisv.
Bij besluit van 28 september 2001 heeft appellant de uitkering van
gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO),
welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 35 tot 45%, met ingang van 1 oktober 2001 herzien naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Appellant heeft het tegen dit besluit door mr. H. van der Wal, advocaat
te Rotterdam, namens gedaagde gemaakte bezwaar bij besluit van 23
augustus 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft het door de gemachtigde van appellant
ingestelde beroep tegen het besluit van 23 augustus 2002 (hierna: het
bestreden besluit) bij uitspraak van 27 juni 2003, reg.nr. WAO 02/2554
ZWI, gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, een en ander
met bijbehorende beslissingen omtrent vergoeding aan gedaagde van
griffierecht en proceskosten.
Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden tegen deze
uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 april 2005, waar
namens appellant is verschenen mr. J.J. Bakker, werkzaam bij het Uwv,
terwijl gedaagde - zijn gemachtigde met kennisgeving - niet is
verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde was werkzaam als steigerbouwer toen hij op 6 juni 1995 uitviel
vanwege klachten als gevolg van een verwonding aan zijn rechterhand en
huidklachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd heeft de
rechtsvoorgangster van appellant gedaagde bij besluit van 4 juni 1996
met ingang van 3 juni 1996 onder andere een WAO-uitkering toegekend,
welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot
100%. Deze uitkering werd na een bezwaarprocedure bij besluit op bezwaar
van 8 februari 1999 met ingang van 24 augustus 1998 herzien naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
In het kader van een vijfdejaars herbeoordeling is gedaagde andermaal
onderzocht. Daarbij heeft de verzekeringsarts K. Golab blijkens het
rapport van 19 maart 2001 vastgesteld dat de huidige beperkingen van de
rechterhandfuncties van gedaagde in feite alleen berusten op enig
krachtverlies van de rechterhand. Voor het overige is volgens Golab in
grote lijnen het FIS-formulier van 6 november 1998 van toepassing,
waarin ten aanzien van het onderdeel huidcontact de aantekening
“huidziekte” is geplaatst. Blijkens het rapport van de
bezwaarverzekeringsarts C.T.M. Linthorst van eveneens 6 november 1998
behelst dit FIS-formulier een toevoeging op de onderdelen reiken en
bovenhands werken ten opzichte van het belastbaarheidspatroon van 11
februari 1998, waarin onder andere bij het onderdeel 23 is aangegeven
dat huidcontact met vaste en/of vloeibare stoffen beperkt is. Ten
aanzien van deze beperking is in het verzekeringsgeneeskundig rapport
van eveneens 5 februari 1998 aangegeven dat appellant als gevolg van de
huidaandoening niet met de handen in vuil water of andere vloeistoffen
kan komen. Aan de hand van de bevindingen van Golab en op basis van de
arbeidsmogelijkhedenlijst van 26 maart 2001 heeft de arbeidsdeskundige
M. van Klaveren blijkens zijn rapport van 3 april 2001 een aantal functies geselecteerd en heeft hij, uitgaande
van het uurloon van de middelste van de drie hoogst verlonende functies
het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 25%. Vervolgens nam
appellant het primaire besluit van 28 september 2001.
In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest
in haar rapport van 6 februari 2002 vastgesteld dat er geen argumenten
zijn om af te wijken van de door Golab vastgestelde belastbaarheid. Met
betrekking tot de huidklachten van gedaagde had Van Geest de beschikking
over informatie van de huidarts van gedaagde van 22 augustus 2001, die
aangaf dat er toen nauwelijks afwijkingen waren, en stelde hij bij zijn
onderzoek op 6 februari 2002 vast dat de psoriasis van gedaagde thans
rustig is en geen aanleiding geeft tot verdere beperkingen. Vervolgens
handhaafde appellant na een correctie van de berekening van het verlies
aan verdiencapaciteit door de bezwaararbeidsdeskundige bij het
bestreden besluit het primaire besluit.
De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit
onderschreven en heeft wat betreft de arbeidskundige grondslag
geoordeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw in haar rapport
van 20 augustus 2002 genoegzaam heeft toegelicht dat de drie voor de
schatting gebruikte functies samensteller (fb-code 8463),
confectienaaister (fb-code 7952) en printplatenmonteur (fb-code 8538)
wat betreft het onderdeel hand- en vingergebruik geschikt zijn voor
gedaagde ondanks een gesignaleerde overschrijding van zijn
belastbaarheid op dit onderdeel in die functies. Ook overigens was de
rechtbank van oordeel dat voldoende inzichtelijk is gemaakt dat
gedaagdes beperkingen niet in de weg staan aan het vervullen van deze
functies met uitzondering evenwel van de geldende beperking inzake
huidcontact, nu in deze functies sprake is van intensief huidcontact met
vaste en/of vloeibare stoffen die mogelijk ongewenste huidreacties
veroorzaken. Om deze reden kon naar het oordeel van de rechtbank het
bestreden besluit in rechte geen standhouden.
In hoger beroep heeft appellant aangegeven dat het in de drie voor de
schatting gebruikte functies gaat om intensief huidcontact met diverse
metalen, kunst- en textielstoffen. Voorts heeft hij gewezen op het
hiervoor genoemde rapport van Van Klaveren, waarin onder andere is
aangegeven dat in verband met de psoriasis van gedaagde intensief
contact met agressieve vloeibare chemicaliën dient te worden vermeden
en hiervan in deze functies geen sprake is.
Gedaagde heeft in het verweerschrift de vernietiging van het bestreden
besluit om de door de rechtbank aangegeven reden verband houdende met de
motivering van de overschrijding inzake het onderdeel huidcontact
onderschreven.
De Raad overweegt, mede in het licht van artikel 8:69 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb), in de eerste plaats geen aanleiding te zien
omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander
oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Wat betreft de
arbeidskundige grondslag is de Raad van oordeel dat de beperking van
gedaagde ten aanzien van het onderdeel huidcontact, gelet ook op de
hiervoor weergegeven achtergrond voor het stellen daarvan, moet worden
begrepen in de zin zoals bij het eerder vermelde
verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 5 februari 1998 is aangegeven,
hetgeen meebrengt dat deze beperking niet ziet op huidcontact met de
door appellant aangegeven materialen, zoals dat contact bij de drie voor
de schatting gebruikte functies aan de orde is. Verder is de Raad, gelet
op hetgeen van de zijde van appellant ter zitting is opgemerkt omtrent
de actualiseringsdata van de functies samensteller en printplatenmonteur
- respectievelijk 29 oktober en 3 november 1999 - en in aanmerking
genomen hetgeen hij terzake van actualisering heeft overwogen in zijn
uitspraak van 3 februari 2004 (USZ 2004,105), van oordeel dat bij deze
actualiseringsdata ten opzichte van de datum in geding nog geen sprake
is van een aanzienlijke afwijking van de gebruikelijke werkwijze van
actualisering na een termijn van anderhalf jaar, waarvan onder
omstandigheden gezegd kan worden dat zo’n afwijking meebrengt dat een
schatting geen voldoende realiteitswaarde meer heeft. Dit spreekt te
meer nu in het onderhavige geval niet aan twijfel onderhevig is dat deze
functies op de in geding zijnde datum op de arbeidsmarkt voorkwamen.
Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit ook wat betreft de
motivering van de overschrijding van het onderdeel huidcontact en ook
overigens in het licht van artikel 8:69 van de Awb in rechte stand kan
houden, hetgeen meebrengt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
vernietigd en het inleidend beroep ongegrond moet worden verklaard.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2005.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|