|
Uitspraak
03/4130 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 20 februari 2002 geeft gedaagde geweigerd aan appellante
vanaf 10 februari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, op de grond dat
de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan
15% bedroeg.
Bij besluit van 1 oktober 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 februari
2002 gegrond verklaard voor zover het de datum van de weigering betreft.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde ingaande 19 maart 2002
geweigerd aan appellante een WAO uitkering toe te kennen.
De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 7 juli 2003, nr. 02/1158
WAO, het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Appellante heeft bij gemachtigde mr. M. Mahadew, advocaat te Amsterdam,
op bij aanvullend beroepschrift van 13 oktober 2003 aangevoerde gronden
(met bijlagen) tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde
heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 24 oktober 2003.
Bij schrijven van 17 maart 2005 heeft appellante nog enkele stukken in
het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 april
2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Mahadew, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. E.T.B. Lap, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv).
II. MOTIVERING
In dit geding ligt de vraag ter beantwoording voor of de weigering om
aan appellante een WAO-uitkering toe te kennen in rechte stand kan
houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en
overweegt daartoe als volgt.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat gedaagde te weinig
rekening heeft gehouden met haar beperkingen en dat de voor haar
geselecteerde functies te belastend zijn. Ter ondersteuning van haar
standpunt heeft appellante informatie van de Stichting Thuiszorg Icare
Flevoland en de huisarts R.H. Munneke aan de Raad gestuurd.
Naar aanleiding van appellantes WAO-aanvraag heeft verzekeringsarts W.M.
van der Boog haar op 6 november 2001 onderzocht. Deze arts is op basis
van eigen onderzoek en informatie van de huisarts tot de conclusie
gekomen dat appellante ongeschikt is voor haar eigen werk van
productiemedewerkster en dat er sprake is van duurzame
arbeidsmogelijkheden conform het opgestelde belastbaarheidsprofiel. In
het belastbaarheidsprofiel heeft Van der Boog, voornoemd, beperkingen
opgenomen in verband met rugklachten, varicosis en spanningshoofdpijn.
De bezwaarverzekeringsarts J.H. Nagel heeft in het kader van de
bezwaarprocedure gerapporteerd dat er geen medische redenen zijn om af
te wijken van de primaire beoordeling. In verband met een eerdere
ziekteperiode wordt de eerste ziektedag voor de WAO vastgesteld op 19
maart 2001.
Gelet op de beschikbare medische gegevens is de Raad niet van oordeel
dat gedaagdes verzekeringsartsen de lichamelijke beperkingen van
appellante hebben onderschat. De Raad overweegt dat de in hoger beroep
overgelegde informatie van de thuiszorg en de huisarts geen ander licht
werpt op de gezondheidstoestand van appellante.
Ter zitting van de Raad heeft appellante er op gewezen dat zij in 2004
een operatie heeft ondergaan en dat het met haar gezondheid steeds
slechter gaat. De Raad wijst er op dat in dit geding de situatie op 19
maart 2002 ter beoordeling voorligt. Met een verslechtering in de
gezondheidstoestand na die datum kan in dit geding geen rekening worden
gehouden.
Gedaagde heeft in het verweerschrift in hoger beroep vermeld dat de
volgende functies voor de schatting zijn gebruikt: Samensteller (Fb-code
8463), Naaister meubelbekleding (Fb-code 7964) en Confectienaaister (Fb-code
7952).
De Raad acht het, mede gelet op het feit dat deze functies geen enkele
markering ten teken dat de belastbaarheid mogelijk wordt overschreden
kennen, aannemelijk dat de belasting in deze aan appellante als
geschikte arbeidsmogelijkheden voorgehouden functies haar belastbaarheid
niet te boven gaan.
Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak bevestigd
dient te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van M.H.A.
Uri als griffier en uitsproken in het openbaar op 13 mei 2005.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|