|
Uitspraak
03/4557 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. J.M. Bakx-van den Anker, advocaat te
Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 18 augustus
2003, nr. AWB 02/1395 WAO, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 maart 2005, waar appellante
en haar gemachtigde, met bericht, niet zijn verschenen, terwijl gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop berustende
bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Bij besluit van 22 februari 1999 heeft gedaagde de aan appellante
toegekende uitkering ingevolge de WAO, welke was berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ingetrokken met ingang van 2
april 1999.
Gedaagde heeft het hiertegen gemaakte bezwaar bij besluit van 6 augustus
1999 ongegrond verklaard. Dit besluit is bij uitspraak van 19 september
2001 vernietigd door de rechtbank.
Bij het thans bestreden besluit van 26 september 2001 heeft gedaagde een
nieuwe beslissing genomen op het bezwaar van appellante. Gedaagde heeft
het bezwaar gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellante met
ingang van 2 april 1999 herzien en nader vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Gedaagde heeft een rapport van R.
Tonneyck, psychiater te Haarlem, van 2 juni 2001 in zijn oordeelsvorming
betrokken, waarin onder meer is geconcludeerd dat appellante op medisch
psychiatrische gronden in staat moet worden geacht om parttime te
werken tot een maximum van - bedoeld is vijf - halve dagen per week en
dat een opbouw van een aantal maanden nodig zal zijn met een duidelijke
gestructureerde begeleiding om zo ver te komen.
De rechtbank heeft het hiertegen door appellante ingestelde beroep
ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de stelling van appellante dat
haar uitkering niet kan worden herzien zolang van een opbouw met een
duidelijke gestructureerde begeleiding als bedoeld door de psychiater
Tonneyck geen sprake is geweest, verworpen. De rechtbank overwoog
daartoe dat begeleiding van appellante naar een gestructureerde
combinatie van de zorg voor haar kind en (parttime) werk weinig zinvol
was te achten, nu er slechts sprake was van een theoretische schatting
van de mate van haar arbeidsongeschiktheid. De rechtbank was met
gedaagde van oordeel dat artikel 18 van de WAO zich ertegen verzet dat
de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante, berekend naar de
hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse, met ingang van 2 april 1999 wordt
voortgezet tot het moment dat zij feitelijk passend werk heeft gevonden.
Naar het oordeel van de rechtbank moet begeleiding bij reïntegratie
geheel los worden gezien van de vraag naar vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid.
Appellante heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden.
Zij heeft daartoe aangevoerd dat de aangevallen uitspraak reeds niet in
stand kan blijven omdat zij inbreuk maakt op de uitspraak van de
rechtbank van 19 september 2001. Naar de mening van appellante bood die
uitspraak gedaagde geen ruimte voor een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsverklaring per 2 april 1999. Voorts heeft appellante haar bij de
rechtbank ingenomen standpunt herhaald, dat uit het rapport van
psychiater Tonneyck volgt dat indeling in een lagere
arbeidsongeschiktheidsklasse niet kan plaatsvinden zolang van de
noodzakelijke opbouw en begeleiding geen sprake is geweest. Appellante
heeft haar hoger beroep uitdrukkelijk tot de hier weergegeven punten
beperkt.
De Raad overweegt allereerst dat de aangevallen uitspraak niet in strijd
is met de uitspraak van 19 september 2001. In laatstbedoelde uitspraak
heeft de rechtbank weliswaar geconcludeerd dat appellante met ingang van
2 april 1999 niet in staat kon worden geacht om de haar voorgehouden
functies gedurende 38 uur per week te vervullen, maar zij heeft zich
niet uitgelaten over de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid per
die datum. Uit die uitspraak kan dan ook niet worden afgeleid dat
appellante per 2 april 1999 volledig arbeidsongeschikt was en gedaagde
geen ander dan een daartoe strekkend besluit kon nemen.
Hetgeen appellante in hoger beroep betoogt omtrent de mate van haar
arbeidsongeschiktheid per 2 april 1999, onder verwijzing naar het
rapport van de psychiater Tonneyck, verwerpt de Raad. De Raad
onderschrijft daaromtrent volledig het oordeel van de rechtbank dat
hierboven is weergegeven.
Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot het oordeel dat het hoger
beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H.G. Rottier
en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) L. Karssenberg.
|
|