|
Uitspraak
03/5503 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 11 juli 2002 heeft appellant aan gedaagde met ingang van
5 augustus 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Tegen dit besluit heeft gedaagde bij brief van 15 augustus 2002 een
zogenaamd pro-formabezwaar bij appellant gemaakt.
Onder dagtekening 23 september 2002 heeft appellant aan gedaagde
verzocht om binnen vier weken na dagtekening van deze brief aan te geven
op grond waarvan zij bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 11 juli
2002.
Bij brief van 23 oktober 2002 heeft gedaagde haar bezwaar gemotiveerd.
Bij besluit van 28 november 2002 heeft appellant het bezwaar
niet-ontvankelijk verklaard.
Het door gedaagde tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit)
ingestelde beroep is door de rechtbank Arnhem bij uitspraak van 22
september 2003, reg.nr. 02/2789 WAO, gegrond verklaard. Daarbij heeft de
rechtbank voorts het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat
appellant een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van gedaagde met
inachtneming van haar uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift
aangegeven gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 mei 2005, waar
namens appellant is verschenen J. de Graaf, werkzaam bij het Uwv, en
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door haar echtgenoot, [naam
echtgenoot].
II. MOTIVERING
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit,
waarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard omdat gedaagde de
gronden van haar bezwaar niet tijdig kenbaar heeft gemaakt, voor
vernietiging in aanmerking komt. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat
appellant bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid
niet tot het besluit heeft kunnen komen.
In hoger beroep voert appellant aan dat de maximale termijn voor het
indienen van de gronden van het bezwaar vier weken is en gedaagde daarop
ook uitdrukkelijk is gewezen. Haar is medegedeeld dat uitstel van de
termijn niet zou worden verleend en het bezwaar niet-ontvankelijk zou
worden verklaard indien de gronden na het verstrijken van de termijn
zouden worden ontvangen.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de termijn om het verzuim te
herstellen niet van openbare orde is of anderszins fataal en de wet niet
dwingt tot niet-ontvankelijkverklaring. Ter onderbouwing van dit
standpunt heeft zij gewezen op uitspraken van het College van Beroep
voor het bedrijfsleven, het gerechtshof 's-Gravenhage en de Hoge Raad
der Nederlanden.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene
wet bestuursrecht (hierna: Awb) bevat een bezwaarschrift de gronden van
het bezwaar. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 kan het bezwaar
ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard,
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen
binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Gedaagde heeft de gronden van haar bezwaar in haar brief van 15 augustus
2002 niet vermeld. Zij was derhalve, hetgeen tussen partijen ook niet in
geschil is, in verzuim. Zij heeft in deze brief aangegeven dat de
gronden waarop haar bezwaar is gebaseerd, nog schriftelijk zullen worden
doorgegeven, met verzoek haar een termijn te stellen waarbinnen dit
uiterlijk moet gebeuren.
Bij brief van 23 september 2002 heeft appellant gedaagde gewezen op haar
verzuim. Appellant heeft gedaagde daarbij in de gelegenheid gesteld om
binnen vier weken na dagtekening van deze brief dit verzuim te
herstellen. Hierbij heeft appellant ook uitdrukkelijk vermeld dat,
indien gedaagde niet van de gelegenheid gebruik zou maken om de gronden
van het bezwaar in te dienen, haar bezwaar in beginsel niet-ontvankelijk
zou worden verklaard. Appellant heeft gedaagde er daarbij tenslotte op
gewezen dat een verzoek om verlenging van de gestelde termijn van vier
weken niet zou worden gehonoreerd.
Gedaagde heeft de gronden van het bezwaar pas ingediend bij brief van 23
oktober 2002, derhalve buiten de gestelde termijn die, zoals ook de
rechtbank heeft vastgesteld, op 21 oktober 2002 afliep.
Uit artikel 6:6 van de Awb volgt dat appellant tot niet-ontvankelijkheid
mag beslissen indien hij, zoals in dit geval, een redelijke termijn voor
het herstel van het verzuim heeft gesteld en deze ongebruikt is
verstreken. Het spreekt vanzelf dat de alsnog geboden termijn behoudens
bijzondere omstandigheden niet moet worden overschreden, te minder nu
appellant in zijn brief van 23 september 2002 gedaagde uitdrukkelijk op
de mogelijke gevolgen heeft gewezen. Anders dan de rechtbank heeft
overwogen, vormen noch het tijdstip waarop het besluit op bezwaar is
genomen noch het belang van gedaagde bij een inhoudelijke afdoening van
de zaak op zichzelf een bijzondere omstandigheid om van een beslissing
als evenbedoeld af te zien.
Voor de termijnoverschrijding is ook geen rechtvaardiging gelegen in de
door gedaagde bij de rechtbank aangevoerde omstandigheid, dat zij nog
even heeft gewacht met het indienen van de gronden, omdat zij goed wilde
kunnen inschatten of zij het werk dat zij sinds eind augustus 2002 had
hervat, wel of niet kon volhouden. Niet valt in te zien dat zij daarom
niet in staat geacht moest worden tijdig in ieder geval de hoofdlijnen
aan te geven waarom zij zich niet kon verenigen met het besluit van 11
juli 2002.
Gelet op het vorenstaande heeft appellant door bij het bestreden besluit
het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren geen onjuiste toepassing
gegeven aan de hem op grond van artikel 6:6 van de Awb toekomende
bevoegdheid.
Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden
vernietigd. Het bij de rechtbank ingestelde beroep dient alsnog
ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak.
Verklaart het door [gedaagde] bij de rechtbank ingestelde beroep
ongegrond.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|