|
Uitspraak
02/4118 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 10 november 1997 heeft gedaagde de uitkeringen van
appellante ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de
Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk
werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%,
met ingang van 6 januari 1998 herzien naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Gedaagde heeft het tegen dit besluit door mr. M. Westerveld, advocaat te
Amsterdam, namens appellante gemaakte bezwaar bij besluit van 27 juli
1998 (hierna: besluit 1) gegrond verklaard, appellante ook na 6 januari
1998 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht en haar
arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 20 september 1998
ingetrokken.
De rechtbank Amsterdam heeft het door de gemachtigde van appellante
ingestelde beroep tegen besluit 1 bij uitspraak van 28 juni 2002, reg.nr.
AWB 02/395 AAWAO, ongegrond verklaard.
De gemachtigde van appellante heeft op bij beroepschrift aangegeven
gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft van verweer gediend.
De gemachtigde van appellante heeft bij brieven van 22 november en 30
december 2002 onder andere nadere medische stukken ingediend, waarop
gedaagde heeft gereageerd door overlegging van het rapport van de
bezwaarverzekeringsarts W.A. Faas van 12 februari 2003
Gedaagde heeft desgevraagd bij brieven van 13 augustus en 7 december
2004 respectievelijk verzekeringsgeneeskundige rapportages en onder
andere beslissingen omtrent wettelijke rente in verband met nabetalingen
overgelegd.
Voorts heeft gedaagde bij brief van 22 maart 2005 nadere arbeidskundige
stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 5 april 2005 waar voor
appellante haar gemachtigde is verschenen en waar namens gedaagde is
verschenen mr. M. Scholten, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante was werkzaam als administratief medewerkster voor 23,75 uur
per week, toen zij op 25 januari 1996 uitviel met diverse klachten. Na
ommekomst van de wettelijke wachttijd heeft de rechtsvoorgangster van
gedaagde appellante bij besluit van 28 november 1996 met ingang van 23
januari 1997 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, welke
werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
In het kader van een herbeoordeling heeft de verzekeringsarts E.M.H.
Verduijn-Distelrath appellante op 7 juli 1997 onderzocht.
Verduijn-Distelrath had daarbij de beschikking over een op haar verzoek
omtrent appellante uitgebracht rapport van de psychiater Bevan Hoek van
12 mei 1997. Op basis hiervan en op basis van het door haar verrichte
onderzoek heeft Verduijn-Distelrath, ook rekening houdend met de fysieke
klachten en beperkingen van appellante, in haar rapport van 7 juli 1997
appellante geschikt geacht voor halve dagen niet te stresserend,
oogsparend werk zonder structurele conflictsituaties. Een en ander vond
uitwerking in het handgeschreven FIS-formulier van laatstgenoemde datum,
waarin de beperkingen ten aanzien van het gebruik van de nek, het
gebruik van de zintuigen (in dit geval de ogen), beschermende middelen
alsmede psychische beperkingen op de onderdelen 28A, B, D en E, welke
achtereenvolgens zien op werken onder tijdsdruk, dwingend werktempo,
conflicterende functie-eisen en conflicthantering, nader zijn
omschreven. Vervolgens heeft gedaagde na arbeidskundig onderzoek het
primaire besluit van 10 november 1997 genomen.
In haar bezwaarschrift heeft appellante haar klachten, waaronder haar
oogklachten, slechthorendheid, oorsuizen en vermoeidheid, nader
omschreven en gesteld dat zij niet in staat is de geduide functies te
verrichten. Ter hoorzitting van 1 april 1998 heeft appellante haar
medische en arbeidskundige bezwaren nader toegelicht. Hierna heeft de
bezwaarverzekeringsarts W.A. Faas in zijn rapport van 7 april 1998
geconcludeerd dat Verduijn-Distelrath bij de vaststelling van de
beperkingen in voldoende mate rekening heeft gehouden met de haar toen
gepresenteerde aandoeningen. Wel achtte Faas vanwege de oorklachten van
appellante het stellen van nader omschreven beperkingen op de onderdelen
25H (lees: 28H; verantwoordelijkheid en/of afbreukrisico) en 28I
(lawaai) noodzakelijk. Bij brief van 18 juni 1998 zond gedaagde de
gemachtigde van appellante het verslag van de hoorzitting en een
afschrift van het rapport van Faas. Op 29 juni 1998 heeft appellante
vervolgens met de bezwaararbeidsdeskundige G. Huisman gesproken.
Blijkens zijn rapport van 15 juli 1998 is onder andere door Huisman met
appellante besproken de aanscherping door Faas van het
belastbaarheidspatroon en de gevolgen hiervan voor de functieduiding in
die zin dat onder handhaving van de aanvankelijk geduide functies
monteur koffiezetters en samensteller de functie medewerker
debiteurenregistratie is vervangen door de functie montage medewerker
transfusie, waardoor het verlies aan verdiencapaciteit uitkwam op
ongeveer 13%. Vervolgens heeft gedaagde bij brief van 20 juli 1998 de
gemachtigde van appellante een afschrift gezonden van de zogenoemde
aanzegbrief aan appellante van eveneens 20 juli 1998, waarna gedaagde op
27 juli 1998 het in rubriek I van deze uitspraak omschreven besluit 1
nam.
In beroep heeft de gemachtigde van appellante tegen besluit 1 medische
en arbeidskundige bezwaren in verband met de vaststelling van de
restverdiencapaciteit ingebracht. Daarnaast is aangevoerd, dat bij
besluit 1 in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in de bezwaarprocedure een verslechtering van de positie van
appellante is bewerkstelligd en dat bij besluit 1 had moeten worden
volstaan met de vaststelling dat appellante met ingang van 8 januari
1998 onveranderd volledig arbeidsongeschikt was. Voorts is vergoeding
van wettelijke rente gevorderd over de volgens appellante na te betalen
uitkering.
Gedaagde heeft in zijn verweerschrift in eerste aanleg van 20 mei 1999
aangegeven dat de onderhavige schatting in verband met de medische
urenbeperking van appellante op basis van een maandloonvergelijking had
moeten plaatsvinden en heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van
appellante met ingang van 20 september 1998 herberekend op 29,11%.
Voorts heeft gedaagde meegedeeld dat besloten is besluit 1 in te trekken
voor zover de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang
van 20 september 1998 op minder dan 15% is bepaald en haar met ingang
van deze datum een WAO-uitkering te verlenen op basis van evenvermelde
herberekening.
De gemachtigde van appellante heeft in reactie op het in het
verweerschrift verwerkte nieuwe besluit (hierna: besluit 2) zijn eerder
voorgebrachte bezwaren gehandhaafd en heeft bovendien gesteld dat in de
bezwaarprocedure een nieuwe schatting is gemaakt zonder dat appellante
en/of haar gemachtigde in de gelegenheid zijn gesteld ter zake van de
nieuwe feiten en omstandigheden, waarop die schatting berust, te worden
gehoord. Hierdoor is, aldus de gemachtigde, in strijd gehandeld met
artikel 7:9 van de Awb.
De essentie van de uitspraak van de rechtbank op het beroep tegen
besluit 1 van 23 november 1999, reg.nr. AAWAO 98/7178, en de uitspraak
van de Raad van 4 december 2001 inzake 99/6366 AAW/WAO is in de
aangevallen uitspraak, welke is gegeven na terugwijzing van het geding
door de Raad op 4 december 2001 en waarin appellante als eiseres is
aangeduid en gedaagde als verweerder, met juistheid als volgt
weergegeven:
“Bij mondelinge uitspraak van 23 november 1999 heeft de rechtbank
Amsterdam geoordeeld dat het besluit van 10 november 1997 uitsluitend betrekking heeft op het recht op een
AAW/WAO-uitkering per 6 januari 1998 en dat bij besluit van 27 juli 1998
volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiseres.
Het beroep richt zich uitsluitend tegen de intrekking van de
AAW/WAO-uitkering van eiseres per 20 september 1998, aldus de rechtbank.
Ten aanzien van de intrekking van de AAW/WAO-uitkering van eiseres per
20 september 1998 stelt de rechtbank vast dat het hier een besluit in
primo betreft waarbij eerst bezwaar dient te worden ingesteld bij
verweerder.
Het beroep is derhalve niet ontvankelijk verklaard en het beroepschrift
is doorgezonden naar verweerder met het verzoek dit te behandelen als
een bezwaarschrift.
Verweerder heeft vervolgens hoger beroep ingesteld.
De Centrale Raad stelt - kort samengevat - het volgende.
Ten eerste is de AAW-uitkering van eiseres met ingang van 1 januari 1998
te komen vervallen als gevolg van de op die datum in werking getreden
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen. Het
geding heeft derhalve uitsluitend betrekking op de WAO-uitkering van
eiseres.
In het verweerschrift van 20 mei 1998 heeft verweerder het bij besluit
van 27 juli 1998 ingenomen standpunt verlaten en eiseres alsnog per 20
september 1998 ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25-35.
Dit was bij besluit van 10 november 1997 ook al het geval zij het met
ingang van 6 januari 1998. Van reformatio in peius is derhalve geen
sprake aldus de Centrale Raad.
Hetgeen in het verweerschrift van verweerder van 20 mei 1998 is
opgenomen moet worden aangemerkt als een heroverweging van het besluit
van 27 juli 1998.
Het beroep gericht tegen het besluit van 27 juli 1998 moet in het kader
van artikel 6:19 en 6:24 worden geacht mede te zijn gericht tegen het in
het verweerschrift gestelde van 20 mei 1998 te weten de indeling 25-35
per 20 september 1998.
De zaak is terugverwezen naar de rechtbank met de opdracht een oordeel
te geven over het besluit de WAO-uitkering van eiseres per 20 september
1998 te bepalen op 25-35 en het verzoek van de eiser om vergoeding van
wettelijk rente.”
Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 4 december 2001 heeft
de rechtbank in de thans aangevallen uitspraak als volgt overwogen:
“Eiseres heeft een scala aan klachten naar voren gebracht, waaraan de
bezwaarverzekeringsarts in de visie van de rechtbank voldoende aandacht
heeft besteed. Eiseres heeft verder geen medische rapporten of brieven
ingestuurd waaruit blijkt dat haar gezondheidstoestand zijdens
verweerder verkeerd zou zijn ingeschat. Ook overigens heeft de rechtbank
geen aanwijzingen kunnen vinden dat dit laatste het geval is.
Namens eiseres is voorts aangevoerd dat zij in strijd met artikel 7:9
Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de bezwaarfase niet opnieuw is
gehoord toen bleek dat ze per 20 september minder dan 15%
arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank kan eiseres hierin niet
volgen nu gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep het
besluit terecht als beslissing op bezwaar is aangemerkt en, omdat
verweerder eiseres alsnog per 20 september 1998 heeft ingedeeld in de
klasse 25-35, er van reformatio in peius geen sprake is.
Het beroep kan derhalve niet slagen.”
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante de in eerdere fasen
van de procedure voorgebrachte bezwaren in essentie herhaald. Tevens
heeft de gemachtigde op 22 november en 30 december 2002 nadere medische
informatie overgelegd, waaronder een brief van de behandelend internist
van 21 december 2001, waarin sprake is van de diagnose SLE. Voorts heeft
de gemachtigde brieven van de huisarts van 15 november 2002 en de
internist van 17 december 2002 overgelegd, waarin is ingegaan op het
mogelijke verband tussen de klachten van appellante op de datum in
geding en de diagnose SLE.
Gedaagde heeft hierop gereageerd door overlegging van het rapport van
Faas van 12 februari 2003, die stelde dat niet valt te onderbouwen dat
de in 1998 bestaande klachten met de diagnose SLE samenhangen, dat het
om de beperkingen van appellante op de datum in geding gaat en dat deze
los moeten worden gezien van een veel later gestelde diagnose.
De Raad overweegt in de eerste plaats en in aanvulling op hetgeen hij
reeds in zijn hiervoor genoemde uitspraak van 4 december 2001 ter zake heeft overwogen, dat naar zijn oordeel besluit
2 in feite een intrekking van besluit 1 inhoudt. Zoals reeds in deze
uitspraak is aangegeven, komt besluit 2 niet geheel aan het beroep tegen
besluit 1 tegemoet en wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en
6:24, eerste lid, van de Awb dit beroep geacht mede te zijn gericht
tegen besluit 2.
Uit het hiervoor overwogene volgt in het licht van de vaste
jurisprudentie van de Raad ter zake dat in het onderhavige geval het
belang van appellante bij een beoordeling van de rechtmatigheid van
besluit 1 in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang
blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om toekenning van
schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.
Namens appellante is in beroep tegen besluit 1 en in hoger beroep
verzocht om vergoeding van de wettelijke rente, zodat het procesbelang
als evenbedoeld niet is komen te vervallen.
Nu vaststaat dat bij besluit 1 ten onrechte met ingang van 20 september
1998 de WAO uitkering van appellante is ingetrokken, welke intrekking
overigens naar de Raad in zijn meergenoemde uitspraak reeds heeft
overwogen binnen de grondslag en reikwijdte van het primaire besluit van
10 november 1997 valt, zal de Raad besluit 1 reeds hierom vernietigen.
De Raad stelt vervolgens vast dat de rechtbank in de aangevallen
uitspraak in feite alleen een oordeel heeft gegeven over besluit 2 en
derhalve heeft nagelaten om tevens te oordelen over het bij haar
voorliggende beroep tegen besluit 1 en de in het kader van dat beroep
ingediende vordering tot vergoeding van wettelijke rente.
De Raad overweegt voorts dat besluit 1 ook om de volgende reden niet in
stand kan blijven. Aan de hiervoor vermelde gang van zaken, welke aan
het nemen van besluit 1 voorafging, heeft appellante haar grief
ontleend, dat besluit 1 is genomen in strijd met artikel 7:9 van de Awb.
Dit artikel schrijft voor dat, wanneer na het horen aan het
bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op
bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan
belanghebbenden wordt meegedeeld en zij in de gelegenheid worden gesteld
daarover te worden gehoord. Uit de gang van zaken blijkt dat appellante
tijdens het gesprek met de bezwaararbeidsdeskundige op 29 juni 1998
informatie is verstrekt omtrent de betekenis van het na de hoorzitting
van 1 april 1998 verschenen rapport van Faas van 7 april 1998 voor het
primaire besluit, dat die rapporten voorts aan de gemachtigde van
appellante zijn gezonden, maar dat voorafgaande aan het kort daarop
nemen van besluit 1 op 27 juli 1998 niet een nieuwe hoorzitting is
belegd. De betreffende grief van appellante treft in dit geval doel
omdat het evengenoemde rapport van Faas en de in het rapport van Huisman
van 15 juli 1998 vervatte arbeidskundige informatie, anders dan
bijvoorbeeld valt af te leiden ten aanzien van een na het horen
ingebracht medisch rapport in het geding, waarin de Raad op 10 december
2002 (USZ 2003,70) uitspraak heeft gedaan, juist van aanmerkelijk belang
zijn geweest voor het nemen van besluit 1. Anders dan de gemachtigde van
gedaagde ter zitting heeft gesteld, kan met alleen de
informatieverstrekking door Huisman, nog afgezien van de vraag of deze
genoegzaam was, niet worden geacht te zijn voldaan aan artikel 7:9 van
de Awb. Van een verzekerde ingevolge de WAO als appellante kan immers in
het algemeen redelijkerwijs niet worden verlangd dat zij reeds aanstonds
in het gesprek met de bezwaararbeidsdeskundige alle mogelijke
verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige gevolgen van de haar
verstrekte informatie voor de gelding van een haar betreffende primaire
schattingsbeslissing kan overzien, zodat de eventuele reactie van die
verzekerde tijdens zo´n gesprek, nog daargelaten de vraag naar de
reikwijdte daarvan, waaromtrent partijen van mening verschillen, niet de
noodzaak van het houden van de in een geval als het onderhavige vanwege
de betekenis van die informatie op grond van artikel 7:9 voorgeschreven
(nadere) hoorzitting kan wegnemen.
Vervolgens moet de Raad beoordelen of het in feite ook reeds door de
rechtbank beoordeelde besluit 2 in rechte stand kan houden. Anders dan
de rechtbank komt de Raad tot de slotsom dat ook besluit 2 dient te
worden vernietigd. Aan besluit 2 kleeft immers hetzelfde, met onjuiste
toepassing van artikel 7:9 van de Awb samenhangende, gebrek, dat
blijkens het hiervoor overwogene mede de reden vormt om besluit 1 te
vernietigen. Ook voorafgaand aan het nemen van besluit 2 is appellante
namelijk niet opnieuw gehoord.
Al het vorenstaande met betrekking tot de besluiten 1 en 2 leidt de Raad
tot de slotsom dat - naast deze besluiten - ook de aangevallen uitspraak
dient te worden vernietigd.
De vernietiging van ook de thans aangevallen uitspraak brengt tevens mee
dat de Raad dient te beoordelen of hij de zaak andermaal terugwijst naar
de rechtbank omdat hij van oordeel is dat de zaak nogmaals door de
rechtbank moet worden behandeld. Bij deze beoordeling acht de Raad
tevens van belang het antwoord op de vraag of de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit 2 geheel in stand kunnen worden gelaten.
Deze vraag beantwoordt de Raad op zichzelf bevestigend. Hij overweegt
daartoe in de eerste plaats dat de gemachtigde van appellante in beroep
en in hoger beroep de gelegenheid te baat heeft genomen ter zitting van
de rechtbank en de Raad de bezwaren van appellante tegen besluit 2
mondeling toe te lichten. Voorts liggen naar het oordeel van de Raad,
mede gelet op hetgeen, al dan niet toegelicht met overlegging van nadere
stukken, in beroep en in hoger beroep van de zijde van partijen omtrent
de medische en arbeidskundige grondslag van besluit 2 is aangevoerd,
thans voldoende gegevens voor om besluit 2 ook inhoudelijk te
beoordelen. Gelet op een en ander acht de Raad het niet noodzakelijk
gedaagde op te dragen na de vernietiging van besluit 2 een nieuw besluit
op bezwaar te nemen, waarbij de schending van artikel 7:9 van de Awb
wordt hersteld.
Wat betreft de medische grondslag van besluit 2 is de Raad van oordeel
dat niet gezegd kan worden dat gedaagde, uitgaande van het oordeel van
Faas in zijn rapport van 7 april 1998 over de door Verduijn-Distelrath
in de primaire fase van de besluitvorming vastgestelde belastbaarheid
van appellante en van de door Faas daarop gegeven aanvulling, de
beperkingen van appellante, zoals die hebben te gelden voor het
verrichten van gangbare arbeid op de datum in geding, heeft onderschat.
Hieraan doet naar het oordeel van de Raad ook niet af dat blijkens de in
hoger beroep van de zijde van appellante overgelegde medische informatie
inmiddels ten aanzien van haar de diagnose SLE is gesteld. Weliswaar
heeft de gemachtigde van appellante in navolging van de brief van de
huisarts van 15 november 2002 ter zitting betoogd dat het zeer
waarschijnlijk is dat de klachten van appellante rond de datum in geding
te maken hebben met de nadien gediagnosticeerde SLE. Er kan naar het
oordeel van de Raad echter niet aan worden voorbijgezien dat de
behandelend internist, die de diagnose SLE in december 2001 heeft
gesteld, zich - desgevraagd door de gemachtigde van appellante - in zijn
brief van 17 december 2002 aanmerkelijk terughoudender heeft uitgelaten
omtrent het door de gemachtigde en de huisarts gestelde verband. Deze
internist wees er enerzijds op dat blijkens de documentatie van december
1999 niet bleek dat appellante andere dan buikklachten had en dat deze
klachten zijns inziens niet gerelateerd zijn aan SLE. Anderzijds stelde
hij dat vaak eerst na geruime tijd de diagnose SLE wordt gesteld en dat
het niet is uit te sluiten dat SLE al in een eerder stadium bij
appellante een rol speelde. Gelet op het standpunt van deze internist en
op de reactie van Faas op de door de gemachtigde van appellante
ingebrachte medische informatie, alsmede in aanmerking genomen het uit
de beschikbare medische informatie blijkende klachtenpatroon van
appellante ten tijde van de datum bij besluit 2 in geding, komt de Raad
- met gedaagde - het stellen van nadere beperkingen in verband met de
nadien gestelde diagnose SLE niet aangewezen voor.
Wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 2 overweegt de Raad
dat gedaagde op 22 maart 2005 het rapport van de bezwaarverzekeringsarts
R.M. de Vink en de bezwaararbeidsdeskundige L.G.W. Lind van 10 december
2004 heeft overgelegd. Uit dit rapport blijkt dat gedaagde aan besluit 2
uiteindelijk de functies monteur koffiezetters, samensteller en - ter
vervanging van de functie montagemedewerker transfusie - de eveneens
tot de fb-code 9019 behorende functie productiemedewerker kunststof ten
grondslag legt en dat, uitgaande van het maandloon van de middelste van
deze drie functies, het verlies aan verdiencapaciteit van appellante op
de datum in geding 31,83% bedroeg. In evengenoemd rapport is ook
uitgebreid ingegaan op de gesignaleerde overschrijdingen in deze
functies op de voor appellante geldende belastbaarheid. Deze
toelichting, die onder andere het dragen van beschermende middelen in de
functie monteur koffiezetters betreft, alsmede reiken, lawaai,
aanmerkelijke tijdsdruk en dwingend tempo in de functie samensteller en
reiken en het dragen van een veiligheidsbril in de functie
productiemedewerker kunststof, komt de Raad niet onjuist voor. De Raad
tekent daarbij aan dat, anders dan de gemachtigde van appellante meent,
gedaagde in het FIS-formulier van 7 juli 1997 heeft aangegeven dat
appellante matig beperkt is op de onderdelen 28A en 28B. Voorts komt de
Raad de uiteenzetting in het rapport van 10 december 2004 met betrekking tot de aanvaardbaarheid van de
overschrijding op het onderdeel 26 in verband met het dragen van een
veiligheidsbril in de functie productiemedewerker kunststof niet onjuist
voor. In de eerste plaats is toegelicht dat de werkzaamheden in deze
functie plaatsvinden in zogenoemde cleanrooom omstandigheden. Voorts
gaat het, aldus deze toelichting, om het af en toe dragen van een
veiligheidsbril en houdt de aantekening in het FIS-formulier, dat
appellante geen beschermende bril moet dragen, verband met de eis dat
appellante niet moet werken op plaatsen waar sprake is van
rondspringende splinters of zeer smerige omstandigheden. Uit de in het
dossier aanwezige informatie van de behandelend oogarts uit 1996 - de
van de zijde van appellante in hoger beroep overgelegde medische
informatie ziet niet op meer recente bevindingen van de oogarts - valt
niet af te leiden dat bedoelde aantekening een verder strekkende
betekenis heeft.
Op grond van het vorenstaande kan de medische en arbeidskundige
grondslag van besluit 2 naar het oordeel van de Raad in rechte
standhouden.
Gelet op de bevestigende beantwoording van de vraag of de rechtsgevolgen
van besluit 2 geheel in stand kunnen worden gelaten en in aanmerking
genomen dat de Raad ook overigens geen andere redenen voor terugwijzing
ziet, zal de Raad de zaak zelf afdoen en doende wat de rechtbank had
behoren te doen, het mede tegen besluit 2 gericht geachte beroep van
appellante gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en de
rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit geheel in stand laten.
Gelet op de vernietiging van besluit 1, staat, mede in aanmerking
genomen de medische en arbeidskundige grondslag van besluit 2, vast dat
gedaagde nalatig is gebleven een volledige WAO-uitkering te betalen aan
appellante over de periode van 6 januari tot 20 september 1998 en een WAO-uitkering, berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% met ingang van
laatstgenoemde datum. Ter zitting is voorts gebleken dat de gemachtigde
van appellante op zichzelf juist acht de door gedaagde overgelegde
beslissingen van 2 en 3 december 2004 inzake de vergoeding van
wettelijke rente ten bedrage van € 2,06 in verband met verrekening van
de nabetaling over evengenoemde periode met een andere uitkering en voor
het overige een betaalbaarstelling ten bedrage van € 103,19 van de
nabetaling over die periode onderscheidenlijk de verrekening van de
nabetaling over de periode van 20 september 1998 tot 27 november 2001,
de datum met ingang van welke de WAO-uitkering van appellante is herzien
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met een andere
uitkering over laatstgenoemde periode.
Gelet op vorenstaande ligt de vordering van appellante tot vergoeding
van de wettelijke rente gereed voor toewijzing tot een bedrag van €
2,06.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en
in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,= voor verleende
rechtsbijstand in eerste aanleg en € 644,= voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep, alsmede € 35,= voor het verstrekken
van medische informatie en advies aan de gemachtigde van appellante.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond en vernietigt besluit 1;
Verklaart het beroep, voorzover dit geacht wordt mede te zijn gericht
tegen besluit 2, gegrond en vernietigt besluit 2;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 2 geheel in
stand blijven;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding aan appellante van schade in de vorm
van wettelijke rente op de wijze als hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg
tot een bedrag groot € 322,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep
tot een bedrag groot € 679,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 82,=
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A.
Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
|
|