|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/5585 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 11 november 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard het
bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 mei 2002 waarbij zijn
aanvraag tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is
afgewezen omdat hij niet in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen arbeid heeft verricht.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 29 september 2003 onder
kenmerk 02/3388 het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. W.H. van Zundert, advocaat en procureur te
Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die
uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 24 november 2004 heeft de Raad gedaagde verzocht kenbaar
te maken hoe zijn standpunt zich verhoudt tot de uitspraak van de Raad
van 4 juli 2003, gepubliceerd in USZ 2003/262.
Gedaagde heeft de Raad in antwoord hierop bij brief van 20 december 2004
medegedeeld zijn beslissing van 11 november 2002 niet langer te
handhaven en een nieuwe beslissing op de WAO-aanvraag van appellant te
zullen nemen.
Namens appellant is bij schrijven van 20 januari 2005 medegedeeld dat
het hoger beroep wordt gehandhaafd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 april
2005, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Ter zitting heeft gedaagde bevestigd het besluit van 11 november 2002
niet langer te handhaven en een nieuwe beslissing te zullen nemen op de
WAO-aanvraag van appellant.
De Raad stelt vast dat hiermee het belang van appellant aan zijn hoger
beroep is komen te ontvallen. Dit betekent dat hij in zijn hoger beroep
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De Raad ziet aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van
appellant. Deze worden begroot op € 644,- in beroep en op € 322,- in
hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 31,20 voor reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag
groot € 997,20 te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door
appellant betaalde griffierecht van in totaal € 116,- aan hem
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel in tegenwoordigheid van mr. A.
Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2005.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A. Kovács.
|
|