|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 01/3934 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. A.H. Knigge, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand
te Amsterdam, bij beroepschrift van 17 juli 2001- met als bijlage een
expertiserapport, gedateerd 11 mei 2001, 18 mei 2001 en 1 juni 2001, van
de neuroloog dr. E.A.C.M.Sanders - hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
Roermond onder dagtekening 13 juni 2001 tussen partijen gewezen
uitspraak, procedurenummer 00/834 WAO K1.
Bij wijze van verweer heeft gedaagde een commentaar van zijn
bezwaarverzekeringsarts ingezonden.
Namens appellante heeft mr. M.J.H. Roebroek, eveneens werkzaam bij DAS
Rechtsbijstand kantoor te ’s-Hertogenbosch , die zich als opvolgend
gemachtigde van appellante had gesteld, hierop gereageerd bij brief van
3 juli 2002, met als bijlage een schrijven van 17 juni 2002 van de
neuroloog Sanders, voornoemd.
Op verzoek van de Raad heeft de neuroloog dr. H.W.M. Anten bij rapport
van 4 maart 2005 als deskundige omtrent appellante verslag uitgebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 april 2005, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde
mr. Roebroek, en waar namens gedaagde is verschenen M. Florijn, werkzaam
bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante is op 3 november 1998 wegens rugklachten uitgevallen uit haar
functie als voltijds huishoudelijk medewerkster. Bij besluit van 19
oktober 1999 heeft gedaagde geweigerd om haar, in aansluiting op de
wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 2 november 1999 in
aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), op de grond dat de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 15% is.
Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Daarbij is
aangevoerd dat zij vanwege nek-, arm-, been- en rugklachten niet in
staat is tot het verrichten van de bij de schatting in aanmerking
genomen functies gedurende een volledige werkweek.
Bij besluit van 15 augustus 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft
gedaagde dat bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de medische advisering door de
verzekeringsartsen van gedaagde zorgvuldig en juist is te achten. Daar
de rechtbank ook voor het overige, in het bijzonder wat betreft de
arbeidskundige grondslag daarvan, met het bestreden besluit kon
instemmen, heeft de rechtbank het beroep tegen dat besluit ongegrond
verklaard.
In hoger beroep is namens appellante een expertiserapport ingebracht van
de neuroloog dr. Sanders, voornoemd. Deze arts kon zich op grond van het
door hem ingestelde onderzoek van appellante niet vinden in het
belastbaarheidspatroon en evenmin in de als schattingsgrondslag in
aanmerking genomen functies.
Gedaagdes bezwaarverzekeringsarts heeft in reactie hierop aangegeven
zich niet met de zienswijze van Sanders te kunnen verenigen en in die
zienswijze derhalve geen aanleiding te zien om het bestreden besluit
niet langer te handhaven. Sanders, op zijn beurt, heeft vervolgens laten
weten in de reactie van de bezwaarverzekeringsarts geen reden te zien om
zijn oorspronkelijke conclusies te wijzigen.
De Raad heeft in een en ander aanleiding gevonden om appellante door een
onafhankelijk deskundige te doen onderzoeken. Zoals in rubriek I is
vermeld heeft de neuroloog dr. Anten op verzoek van de Raad als
deskundige omtrent appellante verslag uitgebracht bij rapport van 4
maart 2005.
Van de zijde van appellante zijn in de eerste plaats vraagtekens
geplaatst bij de bruikbaarheid van dit rapport, zulks in verband met de
omstandigheid dat de deskundige Anten - na herhaalde rappels van de
zijde van de Raad - eerst op 4 maart 2005 zijn rapport heeft
uitgebracht, terwijl zijn onderzoek reeds op 29 oktober 2003 had
plaatsgevonden.
Hoewel de Raad op zich begrip kan opbrengen voor de kritiek van de
gemachtigde van appellante op deze, inderdaad uitzonderlijk lange,
termijn die de deskundige heeft genomen om tot zijn rapport te komen,
ziet de Raad, anders dan die gemachtigde, daarin toch onvoldoende grond
gelegen voor het oordeel dat de bevindingen en conclusies van de
deskundige, als vervat in diens rapport, niet langer bruikbaar zouden
zijn als grondslag voor oordeelsvorming door de Raad. De inhoud van het
rapport geeft geen aanleiding om het ervoor te houden - zulks is van de
zijde van appellante overigens ook niet gesteld - dat als gevolg van die
lange duur tussen onderzoek en rapportage relevante feitelijke
informatie omtrent appellante of relevante informatie met betrekking tot
de onderzoeksbevindingen is verloren gegaan of verkeerd dan wel
onvolledig weergegeven. Aldus heeft de Raad geen aanknopingspunten om
enig vraagteken te plaatsen bij de waarde van de op die informatie en
onderzoeksbevindingen gebaseerde conclusies van de deskundige, zoals die
hun weerslag hebben gevonden in onder meer de door de deskundige
verstrekte antwoorden op de hem voorgelegde vragen.
De Raad overweegt voorts het volgende. In zijn beantwoording van de
dezerzijds gestelde vragen heeft Anten aangegeven dat hij zich kan
verenigen met het door gedaagdes verzekeringsarts opgestelde
belastbaarheidspatroon alsmede dat appellante ten tijde hier van belang
naar zijn oordeel in staat was tot het verrichten van de werkzaamheden
die zijn verbonden aan de door de arbeidsdeskundige van gedaagde
geselecteerde functies. Evenwel heeft Anten hierbij tevens gesteld dat
appellante alleen die functies kan verrichten waarbij geen sprake is van
intensief gebruik van de nek. Met name functies waarbij de nek
veelvuldig geflecteerd wordt, acht hij niet geschikt.
Aldus zijn volgens de deskundige de functies
printplatenmonteur/inlegger, inpakster van koekjes, productiemedewerker
filetafdeling, aardappelsorteerster en gegevensbewerker, niet geschikt
voor appellante, nu daarin volgens de FIS-gegevens de nek intensief
gebruikt wordt en veelvuldig wordt geflecteerd.
De Raad ziet aanleiding om evenvermelde conclusies, die op zich aan de
hand van relevante medische inzichten en op overtuigende wijze zijn
onderbouwd, te volgen. De Raad stelt voorts vast dat indien alle
functies waarin volgens de FIS-gegevens sprake is van intensief
nekgebruik zouden worden weggelaten, nog steeds voldoende functies met
voldoende arbeidsplaatsen resteren. De tot de functieselectie behorende
functies zonder nekbelasting zijn: de vier onder functiebestandscode
(hierna: fb-code) 4817 ressorterende functies van telefoniste/bell sell
medewerkster met in totaal 7 arbeidsplaatsen, de onder fb-code 9102 vallende functie van
hulpvakarbeider plakkerij met 15 arbeidsplaatsen en de beide onder
fb-code 3318 vallende functies van informant/kaartverkoper met 9
arbeidsplaatsen in totaal.
Naar aanleiding van hetgeen de gemachtigde van appellante ter zake ter
zitting van de Raad heeft opgemerkt, overweegt de Raad dat er geen grond
bestaat om - in verband met in de functiebelasting van deze functies op
andere aspecten dan de nekbelasting voorkomende markeringen dan wel
anderszins - te twijfelen aan de passendheid van deze functies in
medisch opzicht. De deskundige Anten, die de beschikking had over alle
belastinggegevens van de geselecteerde functies, heeft immers die
functies, zij het dan met uitzondering van de functies waarin sprake is
van intensief nekgebruik, zonder meer geaccordeerd. Ten slotte stelt de
Raad vast dat in verband met de aan evenvermelde drie
functiebestandscodes te ontlenen verdiencapaciteit, het
schattingsresultaat geen wijziging ondergaat.
Gelet op het vorenoverwogene en mede in aanmerking genomen dat in het
licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook
overigens niet is gebleken van gronden om het bestreden besluit in
rechte niet juist te achten, moet worden geconcludeerd dat het bestreden
besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak, waarbij
het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard, komt daarom voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.W.
Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2005.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|