|
Uitspraak
03/529 WAO, 04/2919 WAO en 04/2921 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[belanghebbende], wonende te Breda, belanghebbende,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, Uwv.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het
Lisv.
Bij besluit van 6 juli 2001 heeft het Uwv aan belanghebbende bericht dat
zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, over de periode van 5 april 1999
tot 1 januari 2000 niet tot uitbetaling komt wegens de door
belanghebbende in die periode genoten inkomsten uit arbeid.
Bij besluit van 9 juli 2001 heeft het Uwv belanghebbende bericht dat
over de hiervoor genoemde periode van hem een bedrag van f 21.708,39
(€ 9.850,84) als onverschuldigd betaalde uitkering wordt
teruggevorderd.
Bij besluit van 19 november 2001 is het bezwaar van belanghebbende tegen
deze besluiten ongegrond verklaard.
Bij besluit van 26 juli 2002 heeft het Uwv aan belanghebbende bericht
dat zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering over de periode van 1 januari
2000 tot 1 januari 2001 niet tot uitbetaling komt wegens de door
belanghebbende in die periode genoten inkomsten uit arbeid.
Bij besluit van 1 april 2003 is het bezwaar van belanghebbende tegen dit
besluit ongegrond verklaard.
Bij besluit van eveneens 26 juli 2002 heeft het Uwv belanghebbende
bericht dat over de hiervoor genoemde periode van hem een bedrag van €
13.321,74 als onverschuldigd betaalde uitkering wordt teruggevorderd.
Bij besluit van 3 april 2003 is het bezwaar van belanghebbende tegen dit
besluit ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 december 2002, nr. 01/2139 WAO, heeft de rechtbank
Breda het beroep tegen het besluit van 19 november 2001 voor zover gericht tegen het terugvorderingsbesluit
gegrond verklaard en dit besluit in zoverre vernietigd, bepaald dat de
uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en
beslissingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht; voor het
overige is het beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 april 2004, nrs. 03/1057 WAO en 03/1059 WAO, heeft
de rechtbank Breda het beroep tegen de besluiten van 1 en 3 april 2003
ongegrond verklaard.
Het Uwv heeft op bij beroepschrift - annex bijlagen - aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 16
december 2002.
Namens belanghebbende heeft mr. G.J.A. van Dijk, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, op bij beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 april 2004.
Partijen hebben van verweer gediend, namens belanghebbende is dat
gebeurd door mr. I. de Wit, advocaat te Tilburg. Door het Uwv is op het
verweer van belanghebbende schriftelijk gereageerd.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 18
februari 2005. Belanghebbende is daar in persoon verschenen, bijgestaan
door zijn gemachtigde mr. G.J.A. van Dijk, voornoemd, terwijl voor
gedaagde is verschenen mr. M. Reitsma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Belanghebbende, die sedert 1974 werkzaam was als tuin- en
landschapsarchitect in een eenmansbedrijf in de vorm van een besloten
vennootschap (BV), waarvan hij directeur enig aandeelhouder was, is op 6
april 1998 uitgevallen met knieklachten. Belanghebbende was op dat
moment onder meer vrijwillig verzekerd ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Belanghebbende is op 25 maart
1999 onderzocht door de verzekeringsarts J.I. Noordsij. Door Noordsij is een belastbaarheidpatroon opgesteld.
Op 6 april 1999 deed W.A.W.M. Mol, appellants
accountant-administratieconsulent, opgave van diens salaris in de jaren
1995 tot en met 1997. Het bruto jaarsalaris exclusief
overhevelingstoeslag bedroeg in elk van die jaren f 153.600,-.
In zijn rapport van 23 april 1999 heeft de arbeidsdeskundige C.M. van de
Ven op basis van een analyse van de werkzaamheden van belanghebbende,
afgezet tegen diens resterende arbeidsmogelijkheden, geconcludeerd tot
een verlies aan arbeidscapaciteit van 50%. Een schatting op basis van
functies leidt tot een verlies aan verdiencapaciteit van 73,15%. Van de
Ven concludeert dat belanghebbende op basis van een praktische schatting
voor circa 50% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 21 mei 1999 wordt
belanghebbende ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%
en wordt hem een op die klasse gebaseerde WAO-uitkering toegekend met
ingang van 5 april 1999.
Het geding onder nummer 03/529 WAO
De verzekeringsarts J.I. Noordsij rapporteerde op 27 juli 2000 dat
belanghebbendes mogelijkheden om te functioneren ten opzichte van de
vorige beoordeling niet zijn verbeterd. De arbeidsdeskundige Van de Ven
rapporteerde op 15 augustus 2000 dat belanghebbende voor 50% werkzaam is
in aangepaste werkzaamheden. De klasse-indeling blijft ongewijzigd.
Bij brief van 19 maart 2001 is door het Uwv, naar aanleiding van de
namens belanghebbende ingestuurde verlies- en winstrekening alsmede een
kopie van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 1999, aanvullende
informatie gevraagd. Daarop is door belanghebbende zelf een
‘Vragenlijst Loongegevens’ ingestuurd. Betrokkene geeft daarin aan
een vast loon te genieten van f 11.851,- per maand plus een
vakantietoeslag van 8% over f 11.388,-. Blijkens de door belanghebbende
ingestuurde loonstroken over de maanden mei en december 1999 werkte
belanghebbende 21,75 dagen per maand en 173,33 uren. Het salaris bedroeg
bruto f 12.800,- per maand.
In een telefonisch onderhoud d.d. 11 mei 2001 met claimbeoordelaar
J.W.A. van Dongen heeft belanghebbende medegedeeld bezig te zijn met de
afbouw van zijn tuin- en landschapsarchitectuuractiviteiten. Hij was
toen bezig met het opzetten van ketenmobiliteit; dit betreft het
opzetten van een stadsautoproject. Van Dongen concludeerde dat
belanghebbendes inkomsten uit zelfstandige arbeid in 1999 van een
dusdanige omvang zijn dat korting op de arbeidsongeschiktheidsuitkering
dient plaats te vinden als ware belanghebbende voor minder dan 15%
arbeidsongeschikt. Vervolgens heeft het Uwv de in rubriek I genoemde
besluiten van 6 en 9 juli 2001 genomen, waarbij belanghebbendes fictieve
mate van arbeidsongeschiktheid van 5 april 1999 tot 1 januari 2000 wordt
vastgesteld op minder dan 15% en de reeds uitbetaalde uitkering over die
periode wordt teruggevorderd.
In bezwaar wordt door belanghebbende naar voren gebracht dat bij het
aangaan van de verzekering in 1987 aan hem is toegezegd dat de BV, bij
ziekte, zijn uitkering uit de middelen van de BV mocht suppleren.
Daarnaast wordt opgemerkt dat het inkomen van belanghebbende onjuist is
vastgesteld. Volgens de jaaropgave bedragen belanghebbendes inkomsten f 155.964,-. Voor de vaststelling van de hoogte van
arbeidsongeschiktheidsuitkering dient hierop een bedrag van f 23.666,-
in mindering te worden gebracht, zijnde belanghebbendes WAO-uitkering (f
21.302,-), de overhevelingstoeslag (f 1.830,-) en privé-gebruik
telefoon ( f 534,-). De resterende verdiencapaciteit bedraagt dan f
132.298,-. Op basis van een maatmaninkomen van f 157.222,64, bedraagt
het inkomensverlies dan 15,9%, waarmee een WAO-uitkering correspondeert
van f 8.629,11 per jaar.
Op 8 oktober 2001 is een hoorzitting gehouden. Door belanghebbende wordt
herhaald dat aan hem toezeggingen zijn gedaan. Verwezen wordt ook naar
een gesprek in april 1999 met de heer Haneveer van het Uwv, die na in
kennis te zijn gesteld van het salaris van belanghebbende zei ‘dat het
doorging’. Belanghebbendes accountant-administratieconsulent Mol heeft
daarop bij brief van 6 april 1999 aan Haneveer de salarisgegevens van
belanghebbende doen toekomen. Door belanghebbende is verder aangegeven
dat hij in 1999 maar een beetje heeft gewerkt. Desgevraagd gaf hij aan
dat hij nog niet de helft van zijn salaris waard was. Volgens Mol moest
het salaris zo hoog blijven vanwege belanghebbendes pensioenrechten.
Opgemerkt wordt verder dat de belastingdienst, in bezwaar, het inkomen
over 1999 van f 160.869,- met f 20.747,- (belanghebbendes WAO-uitkering), heeft gecorrigeerd en dit
inkomen heeft vastgesteld op f 140.122,-. De desbetreffende aanslag, na
bezwaar, wordt namens belanghebbende overgelegd.
Bij besluit van 19 november 2001 is het bezwaar ongegrond verklaard.
Bijgevoegd is een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J. Kalthof,
die opmerkt dat een WAO-uitkering geen inkomen uit arbeid oplevert. Deze
kan derhalve niet worden betrokken bij belanghebbendes inkomsten, doch
in casu is dat ook niet gebeurd. In het inkomen dat belanghebbende
ontving van de BV was, blijkens de door belanghebbende zelf aangeleverde
stukken, de WAO-uitkering niet begrepen. Er is dan ook geen reden de
uitkering in mindering te brengen op het van de BV ontvangen brutoloon.
In beroep zijn namens belanghebbende de in bezwaar aangevoerde grieven
in hoofdzaak herhaald. Namens het Uwv is een berekening overgelegd
waaruit volgt dat ook indien op de inkomsten uit arbeid de WAO-uitkering
in mindering wordt gebracht een verlies aan verdiencapaciteit resteert
van minder dan 15%.
De rechtbank heeft het beroep - voor zover betrekking hebbend op de
terugvordering - gegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het Uwv
het inkomen van belanghebbende uit arbeid op goede gronden vastgesteld
op f 153.600,-. Belanghebbendes inkomensverlies over 1999 bedroeg dan
ook minder dan 15%. De WAO-uitkering mag volgens de rechtbank op dit
inkomen niet in mindering worden gebracht. In zoverre kan het beroep
niet slagen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat toepassing van de
anticumulatie met terugwerkende kracht in dit geval in strijd komt met
het rechtszekerheidsbeginsel. Het Uwv was sedert april 1999 op de hoogte
van het inkomen uit arbeid van belanghebbende. Niet gezegd kan worden
dat de uitkering is voortgezet als gevolg van onjuiste of onvolledige
informatie van belanghebbende. Het feit dat de uitkering ongewijzigd is
voortgezet tot 1 januari 2000 ligt geheel in de risicosfeer van het Uwv.
Het geding onder de nummers 04/2919 WAO en 04/2921 WAO
Desgevraagd heeft belanghebbendes accountant-administratieconsulent Mol,
bij brief van 16 juli 2001 aan het Uwv de salarisstroken over de maanden
mei en december 2000 doen toekomen. De desbetreffende gegevens zijn
identiek aan de gegevens uit het jaar 1999. Senior claimbehandelaar Van
Dongen berekent daarop, blijkens een rapportage van
25 juli 2002, op basis van een maatmaninkomen van € 74.413,- en een
inkomen uit arbeid van € 69.700,64, belanghebbendes fictieve verlies
aan verdiencapaciteit op 6,3%. Bij de in rubriek I genoemde besluiten
van 26 juli 2002 worden de korting en de terugvordering aan
belanghebbende medegedeeld. In bezwaar tegen het kortingsbesluit worden
de hiervoor beschreven grieven van belanghebbende tegen de korting in
het jaar 1999 herhaald. Op 27 januari 2003 is een hoorzitting gehouden.
Belanghebbende deelt mee dat hij in werkelijkheid betaald wordt aan het
einde van het jaar. Zijn eerdere opgave aan het Uwv was onjuist.
Belanghebbendes accountant-administratieconsulent geeft aan dat het
bedrag van f 153.600,- per jaar inclusief de WAO-uitkering is.
Desgevraagd deelt belanghebbende nog mee bezig te zijn met afbouwen. De
inkomsten zijn nog nauwelijks uit arbeid. Volgens belanghebbende heeft
hij geen vast salaris meer.
Bij besluiten van 1 en 3 april 2003 worden de bezwaren van
belanghebbende tegen de korting over het jaar 2000 en de daarmee
samenhangende terugvordering ongegrond verklaard.
In beroep is namens belanghebbende onder meer naar voren gebracht dat
hij zich tijdens zijn arbeidsongeschiktheid heeft laten bijstaan door
uitzendkrachten, terwijl ook de echtgenote van belanghebbende enkele van
zijn taken heeft overgenomen. Het inkomen is dus niet enkel opgebouwd
uit inkomen uit arbeid. Herhaald wordt dat belanghebbende door het Uwv
onjuist is voorgelicht. In die omstandigheden is de korting, met
terugwerkende kracht, en de terugvordering in strijd met het
rechtszekerheidsbeginsel.
Ter zitting van de rechtbank is namens het Uwv verklaard dat bij een
zelfstandige, zoals belanghebbende, altijd eerst achteraf het inkomen
wordt vastgesteld. In casu is pas in 2001 gebleken dat belanghebbende
over salarisstroken per maand beschikte. Eerder was dit niet gemeld. Er
zijn tijdig inkomensgegevens gevraagd en er kan dus tot anticumulatie
worden overgegaan. Verder wordt opgemerkt dat het juist is dat de
WAO-uitkering rechtstreeks aan de werkgever is betaald. Op de
salarisstrook is echter ten onrechte niet te zien wat uitkering is en
wat salaris is.
De rechtbank heeft overwogen dat van een toezegging zijdens het Uwv,
inhoudende dat belanghebbende vanuit de BV zijn brutojaarsalaris
volledig mocht bijverdienen, niet is gebleken. Eerst bij brief van 16
juli 2001 zijn salarisstroken aan het Uwv opgestuurd over de maanden mei
en december 2000. Eerst toen is het het Uwv duidelijk geworden dat de BV
niet suppleerde, maar dat belanghebbende met zijn werkzaamheden zijn
volle salaris verdiende, nu op die de loonstroken de ontvangen
WAO-uitkering niet in mindering is gebracht. Geconcludeerd wordt dat
belanghebbendes inkomsten uit arbeid terecht zijn vastgesteld op f
153.600,-. De indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van minder dan
15% acht de rechtbank dan ook juist. De korting is ook niet in strijd
met het rechtszekerheidsbeginsel. Van dringende redenen om van
herziening of korting af te zien is niet gebleken. Het beroep wordt
ongegrond verklaard.
De gedingen in hoger beroep
In het geding in hoger beroep onder nr. 03/529 WAO, ingesteld door het
Uwv, wordt door het Uwv betoogd dat het Uwv eerst bij brief van 12 maart
2001, ontvangen op 14 maart 2001, op de hoogte is gekomen van het
inkomen van belanghebbende. De rechtbank lijkt er ten onrechte vanuit te
zijn gegaan dat de inkomensgegevens zijn verstrekt bij brief van 6 april
1999. Opgemerkt wordt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft
geoordeeld dat de voortzetting van de uitkering in de risicosfeer ligt
van het Uwv. Het Uwv is van mening met voldoende zorgvuldigheid en
voortvarendheid te werk gegaan te zijn.
In het hoger beroep van belanghebbende wordt namens hem onder meer
aangevoerd dat bij de bepaling van belanghebbendes inkomsten uit arbeid
ten onrechte zijn WAO-uitkering is meegeteld. Verder wordt betoogd dat
er geen arbeid stond tegenover belanghebbendes inkomen. De BV teerde in
op haar vermogen. Herhaald wordt dat de korting met terugwerkende kracht
in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.
De Raad oordeelt als volgt.
Het geding onder nr. 03/529 WAO
De Raad stelt voorop dat het dictum van de uitspraak van de rechtbank d.d.
16 december 2002 niet aansluit bij de daaraan voorafgaande overwegingen.
Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt dat kennelijk is beoogd het
kortingsbesluit te vernietigen en is ten onrechte (enkel) het
terugvorderingsbesluit vernietigd. In verband met de geschetste
tegenstrijdigheid acht de Raad het hoger beroep niet beperkt tot de
terugvordering maar wordt het geacht ook betrekking te hebben op het
kortingsbesluit. De Raad zal derhalve eerst ingaan op de vraag of het
Uwv terecht heeft besloten om tot korting over te gaan en, zo ja, of de
korting in strijd was met het rechtszekerheids- en/of het
vertrouwensbeginsel.
In dat verband is allereerst van belang dat belanghebbende in het jaar
1999 niet alleen in dienst was van de BV, maar voor de BV ook
daadwerkelijk arbeid heeft verricht. Daaruit volgt dat het aan
belanghebbende door de BV uitbetaalde salaris in beginsel moet worden
aangemerkt als inkomsten uit arbeid. Volgens vaste rechtspraak van de
Raad kan daaraan niet afdoen dat belanghebbende, zoals door hem gesteld,
geen volwaardige arbeidsprestatie meer kon leveren. Vervolgens moet de
vraag worden beantwoord of het gehele salaris dat door de BV aan
belanghebbende werd uitbetaald moet worden aangemerkt als inkomsten uit
arbeid. Naar het oordeel van de Raad is dat niet het geval, aangezien
een uitkering krachtens de WAO niet kan worden aangemerkt als inkomsten
uit arbeid en deze uitkering in zijn salaris was begrepen. Uit de
stukken blijkt in dat verband dat de belastingdienst bij de bepaling van
belanghebbendes fiscale inkomen de uitkering krachtens de WAO in
mindering heeft gebracht op zijn inkomsten uit de BV. Volgens vaste
rechtspraak van de Raad dient voor de bepaling van inkomsten uit arbeid
als bedoeld in artikel 44 van de WAO in beginsel de kwalificatie door de
belastingdienst van de inkomsten te worden gevolgd. De Raad is niet
gebleken van feiten of omstandigheden om daar in het onderhavige geval
anders over te denken. De Raad concludeert dat het Uwv ten onrechte
belanghebbendes uitkering krachtens de WAO niet in mindering heeft
gebracht op zijn inkomsten uit de BV.
Met het Uwv moet de Raad evenwel concluderen dat de vermindering van
belanghebbendes inkomsten uit de BV met zijn WAO-uitkering voor het jaar
1999 niet leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 15% of meer.
De door het Uwv, naar aanleiding van belanghebbendes claim ter zake, in
het geding gebrachte berekening, uitkomende op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 14%, is door of namens belanghebbende niet
weersproken. De Raad concludeert dat, gegeven belanghebbendes inkomsten
uit arbeid in het jaar 1999 en zijn maatmaninkomen in dat jaar, het Uwv
terecht heeft besloten belanghebbendes WAO-uitkering in dat jaar niet
uit te betalen.
Naar het oordeel van de Raad kan verder niet worden gezegd dat het
kortingsbesluit is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
In dat verband is van belang dat belanghebbende nadrukkelijk heeft
gesteld dat hij wisselende inkomsten genoot, welke pas na afloop van het
jaar definitief werden vastgesteld. Belanghebbende dient in dat opzicht
dan ook te worden gelijkgesteld met een zelfstandige. Vaste rechtspraak
van de Raad is dat in een situatie als hier aan de orde de korting met
terugwerkende kracht in beginsel niet leidt tot strijd met het
rechtszekerheidsbeginsel. Het inkomen van belanghebbende, en derhalve
ook de eventuele korting, kan immers eerst achteraf worden vastgesteld.
Ook belanghebbendes grief dat het kortingsbesluit over het jaar 1999 in
strijd is met het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Door belanghebbende
is gesteld dat het Uwv bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat suppletie
van zijn uitkering door de BV tot zijn oude salaris niet op problemen
zou stuiten. Door het Uwv is enige toezegging in die zin evenwel
ontkend, terwijl gedaagde de gestelde toezegging op geen enkele manier
aannemelijk heeft gemaakt. Reeds op die grond kan belanghebbendes beroep
op het vertrouwensbeginsel niet slagen.
De Raad concludeert dat het Uwv met recht heeft besloten belanghebbendes
uitkering in het jaar 1999 niet uit te betalen. Verder is de Raad niet
gebleken van dringende redenen op grond waarvan het Uwv van
terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering diende af te
zien. De Raad stelt vast dat het hoger beroep terecht is ingesteld en
dat het inleidend beroep ongegrond moet worden verklaard.
Het geding onder nrs. 04/2919 WAO en 04/2921 WAO
De Raad stelt voorop dat belanghebbende tegen de korting over het jaar
2000 dezelfde grieven heeft ingebracht als tegen de korting over het
jaar 1999. Er zijn geen gronden om over deze grieven anders te oordelen
dan is geoordeeld met betrekking tot het jaar 1999. Dat brengt mee dat
belanghebbendes grieven dienen te worden verworpen met uitzondering van
de grief dat het Uwv belanghebbendes uitkering krachtens de WAO ten
onrechte in aanmerking heeft genomen bij de bepaling van zijn inkomsten
uit arbeid als bedoeld in artikel 44 van de WAO. Ten aanzien van het
jaar 2000 kan aan het hiervoor gestelde nog worden toegevoegd dat in dat
jaar, naar door het Uwv ter zitting van de rechtbank is verklaard, de
uitkering krachtens de WAO ook is uitbetaald aan de BV. Ten aanzien van
het jaar 2000 moet de Raad verder vaststellen dat het in mindering
brengen van belanghebbendes uitkering krachtens de WAO op zijn inkomsten
uit de BV waarschijnlijk ertoe leidt dat een deel van de uitkering
krachtens de WAO alsnog tot uitbetaling kan komen. De Raad concludeert
dan ook dat het besluit tot korting over het jaar 2000 een
draagkrachtige motivering mist. Daaruit volgt tevens dat de
terugvordering geen stand kan houden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het
Uwv te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- in beroep en,
gelet op artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, op €
644,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
in het geding onder nummer 03/529 WAO:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog in zijn geheel ongegrond.
in het geding onder nrs. 04/2919 WAO en 04/2921 WAO:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond en vernietigt
deze besluiten;
Bepaalt dat gedaagde opnieuw op het bezwaar van belanghebbende beslist
met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag
groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het gestorte recht van € 164,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) C.D.A. Bos.
|
|