|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/4343 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. P.F.J. Heeffer, werkzaam bij de Algemene
Onderwijsbond, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch onder
dagtekening 14 juli 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr.
AWB 02/1229 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 3 december 2003 van verweer gediend.
Bij brief van 24 maart 2004 (met bijlagen) heeft appellante nog enige
haar gezondheidstoestand betreffende inlichtingen doen inzenden.
Gedaagde heeft bij brief van 19 april 2004 hierop gereageerd door
overlegging van een rapport van 13 april 2004 van de
bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 juni
2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Heeffer, voornoemd, als haar raadsman en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. B. Drossaert, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als groepsleerkracht voor
31,5 uur per week (4 dagen). Op 6 april 1999 heeft zij haar werk
gestaakt in verband met vermoeidheids- en hoofdpijnklachten na een
ongeval in een zwembad. Na afloop van de wettelijk voorgeschreven
wachttijd van 52 weken heeft gedaagde appellante bij besluit van 7
december 2000 met ingang van 4 april 2000 in aanmerking gebracht voor
een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Aan dit besluit is onderzoek voorafgegaan door de verzekeringsarts J.A.G.
Wijnen. Deze heeft inlichtingen ontvangen van de behandelend neuroloog dr.
A.M.H.G. van der Heijden-Montfroy en de
neuropsycholoog drs. S.C.C.M. Lemmens. Voorts heeft hij een onderzoek laten verrichten door de
klinisch psycholoog W. van der Wal, waarvan bij rapport van 8 maart 2000
verslag is gedaan. Op basis van deze gegevens alsmede eigen lichamelijk
onderzoek is deze verzekeringsarts bij rapport van 10 april 2000 tot de
conclusie gekomen dat bij appellante lichte cognitieve beperkingen
bestaan, dat er beperkingen bestaan voor stresserende werkomstandigheden
en dat de reďntegratie van appellante geleidelijk met aanpassingen aan
stresserende werkomstandigheden in haar eigen werk zou kunnen worden
gerealiseerd. In het zogeheten Fis-scoreformulier van 10 april 2000
heeft deze verzekeringsarts naast lichamelijke beperkingen psychische
beperkingen aanvaard met betrekking tot werken onder tijdsdruk,
conflicterende functie-eisen, kortcyclisch repetitief werk en lawaai.
Bij einde wachttijd is appellante in verband hiermee ongeschikt geacht
voor haar eigen werk. Op basis van een theoretische schatting van haar
arbeidsmogelijkheden en het daarmee samenhangende verlies aan
verdiencapaciteit is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante
door gedaagde gesteld op 35 tot 45%. Hiertegen heeft appellante geen
bezwaar gemaakt.
Aan het thans bestreden besluit van 17 april 2002, dat ziet op de
intrekking van appellantes uitkering, ligt in de eerste plaats het
rapport van 4 januari 2001 van de verzekeringsarts H.A.M. Vertongen ten
grondslag. Deze heeft, naar aan zijn rapport valt te ontlenen, onderzoek
gedaan in het kader van een aanvraag van de werkgever om een
functieongeschiktheidsadvies in verband met een voorgenomen ontslag van
appellante per 1 augustus 2001. Voorts is dit onderzoek uitgevoerd in
verband met de voorgeschreven eerstejaarsherbeoordeling van de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellante. Op basis van anamnese en psychisch
onderzoek heeft deze verzekeringsarts geconcludeerd dat appellante per 1
april 2001 weer volledig geschikt is voor haar eigen functie en derhalve
niet om medische redenen op de voorgenomen datum daaruit ontslagen mag
worden. Bij brief van 15 maart 2001 heeft de verzekeringsarts aan de
werkgever van appellante het advies uitgebracht dat appellante uiterlijk
op 1 december 2001 weer de functie van groepsleerkracht kan uitoefenen.
Voorts is bij besluit van dezelfde datum de uitkering van appellante per
1 april 2001 beëindigd, omdat zij per die datum niet langer voor haar
eigen werk ongeschikt werd geacht. In de bezwaarfase heeft de
bezwaarverzekeringsarts J.J. Nasheed-Linssen bij rapport van 6 maart 2002 geconcludeerd dat appellante per 1 april 2001 zonder
beperkingen geschikt was voor haar werk als groepsleerkracht. Daarop is
bij het bestreden besluit de intrekking van de WAO-uitkering van
appellante per 1 april 2001 gehandhaafd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven
dat de medische informatie van de behandelend neuroloog en de uitkomsten
van het onderzoek van de klinisch psycholoog Van der Wal onvoldoende
aanknopingspunten bieden om te aanvaarden dat de arbeidsongeschiktheid
van appellante is geobjectiveerd en dat de in beroep door appellante
overgelegde rapporten van de behandelende revalidatieartsen niet tot een
ander oordeel leiden. Daarop is het bestreden besluit in stand gelaten.
In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij niet in staat is in
volle omvang haar werk te verrichten, zulks onder verwijzing naar onder
meer een brief van 18 december 2003 van de bedrijfsarts E.M. Leesmans.
Daaraan valt te ontlenen dat ondanks maximale inzet van alle betrokkenen
was gebleken dat verdere reďntegratie (dan twee dagen per week) niet
langer haalbaar was.
De bezwaarverzekeringsarts Brouns heeft in zijn commentaar van 13 april
2004, onder verwijzing naar de rapporten van de behandelend neuroloog en
de klinisch psycholoog Van der Wal, aangevoerd dat er geen concrete
afwijkingen/stoornissen bij appellante zijn vastgesteld en dat voor het
klachtenpatroon van appellante geen medisch substraat aanwezig is (somatisatiestoornis)
en een gestoorde aanpassing aan de nieuw ontstane situatie
(aanpassingsstoornis).
De Raad overweegt dat voor de vraag of het bestreden besluit standhoudt
bepalend is of de opvatting van gedaagde, in navolging van de betrokken
verzekeringsartsen, juist is dat appellante per 1 april 2001 geschikt is
om haar eigen werk in volle omvang weer te verrichten. Die vraag
beantwoordt de Raad ontkennend.
Gelet op het hiervoor al vermelde (tweeledige) doel van zijn onderzoek
dat ook gericht was op de vraag van de werkgever of appellante om
medische redenen kon worden ontslagen, de hiervoor vermelde conclusie
van de verzekeringsarts dat dit om medische redenen niet mogelijk was
omdat appellante per 1 april 2001 niet ongeschikt was, en het
verhandelde ter zitting, moet de Raad het ervoor houden dat het
geschiktheidsoordeel per 1 april 2001 van de verzekeringsarts Vertongen
in belangrijke mate bepaald is geweest door de overweging dat daardoor
een ontslag na twee jaar arbeidsongeschiktheid (te rekenen vanaf datum
uitval: 6 april 1999) om medische redenen niet mogelijk was.
De Raad stelt vast dat op deze wijze een oneigenlijk argument in de
arbeidsongeschikt-heidsbeoordeling van appellante is ingeslopen, hetgeen
impliceert dat de uitkomst ervan, te weten geschikt voor het eigen werk
per 1 april 2001, niet zonder meer gevolgd kan worden. De twijfel aan de
juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts wordt versterkt
doordat zijn in zijn rapport van 4 januari 2001 neergelegde standpunt
dat appellante per 1 april 2001 haar werk weer volledig kan verrichten,
niet (geheel) spoort met het door hem in zijn brief van 15 maart 2001
jegens de werkgever ingenomen standpunt dat appellante uiterlijk 1
december 2001 weer daartoe in staat is. Voorts overweegt de Raad dat de
op 4 januari 2001 gegeven opvatting over de geschiktheid van appellante
per 1 april 2001 uit de aard der zaak een prognose van de
verzekeringsarts is betreffende het herstel van appellante per die
datum. De mededeling aan de werkgever in de brief van 15 maart 2001 met betrekking tot de geschiktheid van appellante per
uiterlijk 1 december 2001 is dat evenzeer. De Raad concludeert hieruit
dat de verzekeringsarts op 15 maart 2001 niet kon uitsluiten dat
appellante later dan 1 april 2001 zou zijn hersteld. Het rapport van 4
januari 2001 van de verzekeringsarts, waarop de intrekking van de
WAO-uitkering per 1 april 2001 steunt, biedt daarvoor derhalve
onvoldoende basis.
Die basis kan ook niet gevonden worden in hetgeen de
bezwaarverzekeringsarts in de bezwaarfase ter onderbouwing van die
intrekking heeft aangevoerd. Zij heeft zich beperkt tot dossierstudie en
teruggegrepen op de bevindingen van de verzekeringsarts Vertongen en de
klinisch psycholoog Van der Wal. Gelet op het hiervoor overwogene met
betrekking tot de niet eenduidige oordeelsvorming van de
verzekeringsarts Vertongen omtrent de geschiktheid voor het eigen werk
en de omstandigheid dat het rapport van Van der Wal de verzekeringsarts
Wijnen juist wel aanleiding heeft geven zodanige beperkingen aan te
nemen dat appellante voor haar eigen werk niet geschikt werd geacht,
vermag de Raad aan de verwijzing hiernaar door de
bezwaarverzekeringsarts ter onderbouwing van de juistheid van de
intrekking van de uitkering per 1 april 2001 geen doorslaggevende
betekenis toe te kennen.
De onderbouwing in hoger beroep door de bezwaarverzekeringsarts Brouns
van het standpunt van gedaagde levert niet alsnog een voldoende
fundering daarvan op. Ook deze arts grijpt immers terug op het rapport
van Van der Wal. De verwijzing naar de inlichtingen van de behandelend
neuroloog kan evenmin dit standpunt zonder meer dragen, nu de
verzekeringsarts Wijnen daarvan al kennis droeg en daarin geen
belemmering zag om tot ongeschiktheid leidende beperkingen aan te nemen.
Ten slotte overweegt de Raad dat uit de in beroep door appellante
overgelegde brieven van de revalidatieartsen A. de Fretes en A.A. van
Kuyk met betrekking tot haar gezondheidssituatie vanaf 15 november 2001
niet het beeld oprijst dat appellante inmiddels weer volledig in staat
zou zijn haar werk te verrichten. Er wordt immers melding gemaakt van
voortzetting van de op herstel van de beperkte mentale belasting
gerichte behandelingen.
Aldus moet de Raad vaststellen dat de onderhavige
arbeidsongeschiktheidsschatting op een onvoldoende deugdelijke grondslag
rust.
Het bestreden besluit komt mitsdien met de aangevallen uitspraak waarbij
dit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking. Gedaagde zal
een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze
uitspraak is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in
eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger
beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar van appellante
neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg
en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van mr. A.C.W.
van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juli
2005.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.C.W. van Huussen.
|
|