|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/5170 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. M. de Boorder, advocaat te ’s-Gravenhage,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Gravenhage van 24 september 2003, reg.nr. AWB 02/3970 WAO, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 23 mei 2005 met bijlagen is namens appellante nadere
informatie verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 juni 2005, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Boorder, en
waar namens gedaagde - met voorafgaand bericht - niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante is op 17 augustus 2000 ten gevolge van een ernstige
longontsteking uitgevallen voor haar werk als cateringmedewerker bij
[werkgever 1] en schoonmaakster bij [werkgever 2]
Bij besluit van 21 september 2001 heeft gedaagde aan appellante na
afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken met ingang van 16
augustus 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd onder overweging dat
appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Bij besluit van 27 september 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan
de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel
dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit ziet de
Raad, onder verwijzing naar en met onderschrijving van hetgeen de
rechtbank hieromtrent heeft overwogen, geen aanleiding te oordelen dat
sprake is van een onzorgvuldig onderzoek door gedaagdes
(bezwaar)verzekeringsarts. Voorts ziet de Raad geen aanknopingspunten
dat gedaagdes verzekeringsartsen appellantes beperkingen hebben
onderschat. In de namens appellante in hoger beroep - bij brief van 23
mei 2005 met bijlagen - overgelegde informatie ziet de Raad geen
aanleiding voor het oordeel dat sprake zou zijn van verdergaande
beperkingen op de in geding zijnde datum. Hierin ligt besloten dat de
Raad evenmin aanleiding ziet voor het inschakelen van een deskundige.
Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
heeft de gemachtigde van appellante ter terechtzitting - onder meer -
gewezen op het feit dat de functie met fb-code 3807, medewerker
klachtenontvangst en de functies met fb-code 7763, bediende crèmemachine
en ovenist niet aan de schatting ten grondslag gelegd mogen worden in
verband met het feit dat ingevolge de arbeidsmogelijkhedenlijst sprake
is van bij die functies behorende diploma-eisen, respectievelijk
KMBO-diploma, VBO-diploma consumptieve techniek en VBO-bakkersopleiding
met diploma terwijl appellante niet in het bezit is van - een van - deze
diploma’s. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, onder andere in
zijn uitspraak van 16 februari 1999, gepubliceerd USZ 1999, 90, mogen
functies waarvoor een strikte diploma-eis geldt niet aan een verzekerde
worden voorgehouden die niet over het vereiste diploma beschikt. Nu in
het rapport van gedaagdes arbeidsdeskundige A.M. Zierikzee van 18
september 2001 wordt vermeld dat appellante basisonderwijs en vier jaar
Mulo zonder diploma in Suriname heeft genoten, kunnen de hiervoor
genoemde functies niet aan de schatting ten grondslag worden gelegd. Als
gevolg daarvan resteren onvoldoende functies, zodat het bestreden
besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 9, aanhef onder
a, van het ten tijde van de datum in geding geldende Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten ( Stb. 2000, 307). Het bestreden besluit en
de aangevallen uitspraak dienen derhalve te worden vernietigd.
Gedaagde dient ter zake van appellantes aanspraken een nieuw besluit op
bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten
worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste
aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in
totaal € 966,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg
tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep
tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde griffierecht van €
116,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van M.H.A.
Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2005.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
|
|