|
Uitspraak
03/6086 WAO en 03/6087 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde,
en
[werkgever], gevestigd te [vestigingsplaats], hierna: de werkgever.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze
gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. J. Nijenhuis, advocaat te Heerenveen, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
twee door de rechtbank Groningen op 29 oktober 2003 tussen partijen
gewezen uitspraken, waarnaar hierbij wordt verwezen. Het bij de Raad
onder nr. 03/6086 WAO geregistreerde geding heeft betrekking op de
uitspraak van die rechtbank met nr. AWB 02/1173 WAO, en het bij de Raad
onder nr. 03/6087 WAO geregistreerde geding heeft betrekking op de
uitspraak van die rechtbank met nr. AWB 02/1172 WAO.
Gedaagde heeft één verweerschrift ingediend dat betrekking heeft op
beide gedingen.
Desgevraagd heeft gedaagde in het geding met nr. 03/6086 WAO bij brief
van 23 maart 2005 nadere stukken in het geding gebracht.
Bij brief van 18 maart 2005 heeft de werkgever, desgevraagd, te kennen
gegeven als partij aan het geding met nr. 03/6086 WAO deel te willen
nemen. Van de gelegenheid om in dat geding een schriftelijke
uiteenzetting te geven, heeft de werkgever bij schrijven van 5 april
2005 gebruik gemaakt.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 25 mei 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Nijenhuis
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door W.R.
Bos, werkzaam bij het Uwv. Namens de werkgever is verschenen ir. H. de
Beij, werkzaam bij de werkgever.
II. MOTIVERING
1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als monteur koeltechniek in
dienst van de werkgever. Op 28 augustus 1999 is appellant met
spanningsklachten voor zijn werkzaamheden uitgevallen. Bij besluit van
18 augustus 2000 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 26 augustus
2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Aan deze
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling lag onder meer het rapport d.d. 21
juni 2000 van de verzekeringsarts ten grondslag, waarin deze
concludeerde dat appellant in eerste instantie voor maximaal vier uur
per dag belastbaar is te achten.
1.2. Na een medisch heronderzoek heeft de verzekeringsarts bij rapport
d.d. 4 januari 2001 geconcludeerd dat geen sprake meer is van een
medische urenbeperking, maar dat wel met beperkte reisafstanden rekening
moet worden gehouden. Deze herbeoordeling heeft geleid tot het besluit
van 24 januari 2001, waarbij de WAO-uitkering van appellant met ingang
van 23 maart 2001 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25
tot 35%.
1.3. Naar aanleiding van het vermoeden van werknemersfraude heeft
gedaagde een onderzoek doen instellen, welk onderzoek heeft geleid tot
het rapport werknemersfraude d.d. 29 oktober 2001. De bevindingen,
neergelegd in dat rapport, en met name de verklaringen van appellant,
afgelegd in het kader van dat onderzoek, waren voor de verzekeringsarts
aanleiding terug te komen van het eerder ingenomen standpunt dat ten
aanzien van appellant rekening dient te worden gehouden met een
beperking van de reisafstanden naar en van het werk. Deze gewijzigde
opvatting ten aanzien van de belastbaarheid voor arbeid van appellant
heeft ertoe geleid dat gedaagde de besluiten van 18 augustus 2000 en 24
januari 2001 heeft ingetrokken en alsnog appellant met ingang van 26
augustus 2000 een WAO-uitkering heeft toegekend, berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, welke uitkering met ingang van
4 januari 2001 wordt ingetrokken op de grond dat appellants
arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden gesteld op minder dan
15%.
1.4. Bij afzonderlijk besluit van 9 april 2002 heeft gedaagde van
appellant teruggevorderd een bedrag van € 4.793,39 ter zake van
hetgeen op grond van de WAO onverschuldigd aan appellant was betaald
gedurende de periode van 26 augustus 2000 tot en met 4 januari 2001.
1.5. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de in 1.3. vermelde
intrekkings- en herzieningsbesluiten, alsmede tegen het
terugvorderingsbesluit van 9 april 2002. Bij beslissing op bezwaar van 1
november 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellant gegrond verklaard
en bepaald dat appellant met ingang van 26 augustus 2000 een
WAO-uitkering toekomt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 65 tot 80%, welke uitkering met ingang van 4 januari 2001 wordt
herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
25 tot 35%. Bij beslissing op bezwaar van 18 november 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
terugvorderingsbesluit gegrond verklaard en bepaald dat van appellant
wordt teruggevorderd een bedrag van € 1.162,65 ter zake van hetgeen op
grond van de WAO onverschuldigd aan appellant was betaald gedurende de
periode van 4 januari 2001 tot 23 maart 2001.
1.6. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de beroepen tegen
de vermelde beslissingen op bezwaar, voor zover in beroep in geschil,
ongegrond verklaard.
2.1. In geding nr. 03/6086 WAO ligt, gelet op de grieven van appellant,
de vraag ter beantwoording voor of de Raad de rechtbank kan volgen in
haar oordeel over de eerste beslissing op bezwaar, voor zover daarbij de
WAO-uitkering van appellant met ingang van 4 januari 2001 is herzien en
nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
25 tot 35%.
2.2. In geding nr. 03/6087 WAO ligt de vraag ter beantwoording voor of
de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over de tweede
beslissing op bezwaar waarbij van appellant een bedrag van € 1.162,65
wordt teruggevorderd.
3. De Raad beantwoordt de onder 2.1. en 2.2. aangegeven vragen
bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt.
3.1. Met betrekking tot de in de eerst vermelde beslissing op bezwaar
vervatte arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 4 januari 2001 heeft appellant in de eerste plaats aangevoerd dat die
beoordeling onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en tot stand gekomen
omdat de verzekeringsarts de eerder aangenomen reisbeperking zonder
nader medisch onderzoek heeft laten vervallen. Voorts heeft appellant
aangevoerd dat bij die beoordeling ook overigens zijn medische
beperkingen zijn onderschat.
3.2. De werkgever heeft aangevoerd dat gedaagde de medische beperkingen
van appellant steeds heeft overschat en dat reïntegratie bij de
werkgever niet heeft plaatsgevonden omdat appellant daar, gelet op zijn
activiteiten ten behoeve van de door hem met anderen opgerichte
vennootschap onder firma [naam firma], geen medewerking aan wilde
verlenen. Volgens de werkgever heeft gedaagde veel te laks gereageerd op
de signalen dat appellant fraudeerde.
3.3. De Raad is van oordeel dat niet kan worden gesteld dat aan de
bestreden arbeidsongeschiktheidsbeoordeling een zorgvuldigheidsgebrek
kleeft omdat op onzorgvuldige wijze is overgegaan tot het laten
vervallen van de eerder ten aanzien van appellant aangenomen
reisbeperking. De Raad wijst er daartoe op dat de verzekeringsarts voor
het aannemen van die beperking in eerste instantie is afgegaan op het
tegenover hem door appellant gegeven relaas van diens medische klachten.
Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt dat appellant op 4
januari 2001 tijdens het spreekuur heeft aangegeven een afstand van 20
km als maximaal te zien. In het kader van het fraudeonderzoek heeft
appellant op 4 oktober 2001 evenwel verklaard dat hij zich met
betrekking tot zijn afstandsneurose niet juist heeft voorgedaan bij de
verzekeringsarts en dat hij zijn situatie erger heeft doen voorkomen dan
die in werkelijkheid was, teneinde de hem toegekende WAO-uitkering te
behouden. De Raad acht de stelling van appellant dat zijn verklaringen
onder druk zijn afgelegd en inhoudelijk onjuist zijn, gelet op het
geheel van de voorhanden zijnde gegevens, niet genoegzaam aannemelijk
gemaakt en is van oordeel dat de verzekeringsarts bij zijn
oordeelsvorming aan die verklaring de door hem daaraan gehechte
betekenis heeft mogen toekennen. In het kader van de bezwaarprocedure
heeft vervolgens de bezwaarverzekeringsarts de stukken bestudeerd en
nadere informatie gevraagd van de GGZ Acute Zorg te Drachten, bij welke
instelling appellant onder behandeling was. Bij brief van 15 augustus
2001 heeft het behandelingsteam van appellant de gevraagde informatie
verstrekt. Op grond van de aldus verzamelde gegevens heeft de
bezwaarverzekeringsarts zich bij rapport d.d. 28 augustus 2001 gesteld
achter het oordeel terzake van de verzekeringsarts. De Raad acht daarmee
dit aspect van de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en op een voldoende deugdelijke
grondslag gebaseerd. Appellant heeft geen nadere medische gegevens in
het geding gebracht die de Raad op dit punt tot een andersluidend
oordeel vermogen te brengen.
3.4. Voorts ziet de Raad geen grond om zich te stellen achter de grief
van appellant dat zijn medische beperkingen met betrekking tot de datum
in geding, te weten 4 januari 2001, zijn onderschat. Appellant heeft
geen nadere medische gegevens in het geding gebracht die deze grief
onderbouwen. In de rapportages van de verzekeringsarts en de
bezwaarverzekeringsarts ziet de Raad daarentegen genoegzaam steun voor
het oordeel dat gedaagde bij het bestreden besluit de medische
beperkingen van appellant op de in geding zijnde datum niet heeft
onderschat.
3.5. Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat
het hoger beroep van appellant in het geding nr. 03/6086 WAO geen doel
treft, zodat de in dat geding aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
3.6. Zoals door appellant ter zitting van de Raad is bevestigd, heeft
hij in het geding nr. 03/6087 WAO, welk geding betrekking heeft op de
terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering, geen
zelfstandige grieven aangevoerd, maar heeft hij dat hoger beroep
ingesteld omdat als het hoger beroep in het geding nr. 03/6086 WAO zou
slagen, de in het geding nr. 03/6087 WAO aan de orde zijnde beslissing van de
rechtbank over het
terugvorderingsbesluit eveneens geen stand zou kunnen houden. Gelet
hierop, alsmede op hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen, kan ook het
hoger beroep van appellant in geding nr. 03/6087 WAO niet slagen en
dient ook de in dat geding aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
4. De door appellant opgeworpen vraag of terecht in hoger beroep
tweemaal griffierecht is geheven, beantwoordt de Raad bevestigend. De in
artikel 22, eerste lid, tweede volzin, van de Beroepswet gegeven
uitzondering waarin slechts eenmaal griffierecht wordt geheven, te weten
dat de rechtbank in één uitspraak beslist over meer dan één besluit,
doet zich hier niet voor nu de rechtbank over het herzienings-
onderscheidenlijk het terugvorderingsbesluit in afzonderlijk uitspraken
heeft beslist. Geen rechtsregel belette de rechtbank dit te doen.
5. De Raad ziet geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H. Bolt en
mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2005.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) S. l’Ami.
|
|