|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/1742 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] wonende te [woonplaats], Spanje, appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft A.M. Mota bij brief van 14 maart 2005 met
bijlagen hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op
21 februari 2005, nr. AWB 03/5359 WAO, tussen partijen gegeven
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 augustus 2005,
waar appellante - met voorafgaand bericht - niet is verschenen en
waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. Scholten,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Bij besluit van 17 juni 2003 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld
dat haar uitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid
van 80 tot 100% met ingang van 10 december 2003 wordt ingetrokken, omdat
zij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt beschouwd.
Bij brief van 2 augustus 2003, door gedaagde ontvangen op 6 augustus
2003, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In haar
bezwaarschrift heeft appellante aangegeven dat zij het besluit eerst op
1 augustus 2003 heeft ontvangen.
Bij brief van 3 september 2003 heeft gedaagde appellante in de
gelegenheid gesteld om aan te geven waarom zij haar bezwaarschrift na
afloop van de bezwaartermijn van zes weken heeft ingediend.
Bij brief van 15 september 2003 heeft appellante de verklaring van 12
september 2003 van het hoofd afdeling bezorging van het Spaanse
postkantoor, mevrouw [medewerker post], overgelegd. Zij heeft verklaard
dat op 1 augustus 2003 een aangetekend stuk uit Amsterdam gericht aan
appellante op het adres [adres 2] aan de echtgenote van appellante is
overhandigd.
Bij besluit op bezwaar van 3 november 2003 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van
17 juni 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft gedaagde
overwogen dat het besluit op 18 juni 2003 aangetekend aan appellante is
verzonden. Volgens gedaagde is het onwaarschijnlijk dat het besluit meer
dan zes weken na verzending op het adres van appellante is bezorgd, mede
gezien het feit dat alle correspondentie die in de bezwaarzaak is
gevoerd binnen ruim een week is bezorgd. Uit de verklaring van mevrouw
[medewerker post] blijkt volgens gedaagde niet dat het besluit van 17
juni 2003 niet eerder dan op 1 augustus 2003 aan appellante is
overhandigd. Naar het oordeel van gedaagde is derhalve geen sprake van
een verschoonbare termijnoverschrijding van het bezwaar.
De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde bij de aangevallen
uitspraak onderschreven. Verder heeft de rechtbank appellante niet
gevolgd in haar stelling dat zij aan de mededeling van een medewerker
van gedaagde op 1 augustus 2003, dat appellante zich geen zorgen hoefde
te maken en dat haar bezwaarschrift binnen vier weken binnen moest zijn,
het vertrouwen mocht ontlenen dat zij niet in verzuim was. Naar het
oordeel van de rechtbank kan vertrouwen dat is ontleend aan een
uitlating van het bestuursorgaan, waarvan belanghebbende pas na afloop
van de wettelijke bezwaartermijn kennisneemt, niet bewerkstelligen dat
een inmiddels plaatsgehad hebbende niet-verschoonbare
termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt.
Namens appellante is in hoger beroep herhaald dat zij het besluit van 17
juni 2003 eerst op 1 augustus 2003 heeft ontvangen. Indien de rechtbank
twijfelde aan de juistheid van de verklaring van mevrouw [medewerker
post] dan had de rechtbank volgens appellante het Spaanse postkantoor om
een afschrift van de verstrekte aangetekende post moeten vragen.
Voorts wijst appellante nogmaals op de mededeling van de zijde van
gedaagde dat de termijnoverschrijding niet van belang was.
Het gaat in het onderhavige geding om de beantwoording van de vraag of
de rechtbank met recht heeft geoordeeld dat gedaagde, op goede gronden,
het bezwaar wegens
termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De Raad overweegt als volgt.
Blijkens de gedingstukken is het besluit van 17 juni 2003 naar het adres
[adres] te Spanje gezonden. Niet alleen op het besluit van 17 juni 2003
maar ook op de lijst van gedaagde met de aangetekend verzonden post
staat dit adres vermeld. De uitnodiging voor het medisch onderzoek van
18 juli 2001 en alle daarop volgende gedingstukken zijn echter naar het
adres [adres 2] te Spanje verzonden. Niet in geschil is dat appellante
ten tijde in geding op dat adres woonachtig was. Op grond van de
gedingstukken moet naar het oordeel van de Raad worden geconcludeerd dat
het besluit van 17 juni 2003 niet aan het juiste adres is toegezonden.
Zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Raad van 14 juni 2005, 04/350
NABW, LJN AT 7557, is het besluit van 17 juni 2003
door de onjuiste adressering niet op de juiste wijze, zoals
voorgeschreven in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),
bekend gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat de wettelijke termijn als
bedoeld in artikel 6:7 van de Awb pas is gaan lopen op het moment dat
appellante het besluit op haar woonadres had ontvangen. Appellante heeft
zich op het standpunt gesteld dat zij het besluit op 1 augustus 2003
heeft ontvangen. Bij gebreke van elke aanwijzing voor een andere datum
van ontvangst van het besluit van 17 juni 2003 gaat de Raad uit van die
datum als ontvangstdatum. Derhalve verliep de termijn voor het indienen
van bezwaar op 11 september 2003. Gelet op het feit dat gedaagde het
bezwaarschrift op 6 augustus 2003 heeft ontvangen, heeft appellante
tijdig bezwaar gemaakt, zodat gedaagde haar naar het oordeel van de Raad
ten onrechte
niet-ontvankelijk in haar bezwaar heeft geacht.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak en het
bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen en dat gedaagde
een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het
hiervoor overwogene.
Ten overvloede merkt de Raad nog op dat uit de gedingstukken niet blijkt
dat gedaagde het besluit heeft verzonden op de in artikel 3 van
Verordening (EEG) nr. 574/72 voorgeschreven wijze, dat wil zeggen via
aangetekende verzending met ontvangstbevestiging.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van het hiervoor overwogene;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht
tot een bedrag groot € 134,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H.J. Simon, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 september
2005.
(get.) H.J. Simon.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|