|
Uitspraak
04/2884 WAO en 04/2885 AAW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellante heeft op bij beroepschrift met bijlagen ingediende gronden
hoger beroep ingesteld tegen twee, op respectievelijk 13 en 14 april
2004, tussen partijen gegeven uitspraken van de rechtbank Utrecht (reg.
nrs. SBR 03/1765, hierna: uitspraak 2, en SBR 03/1179, hierna: uitspraak 1), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Op 2 juli 2004 zijn van appellante aanvullende stukken ontvangen.
Namens gedaagde is in beide gedingen een verweerschrift ingediend.
Op 23 en 28 februari alsmede 14 maart 2005 zijn van appellante nadere
stukken ontvangen.
Op 12 en 13 mei 2005 heeft de Raad van de toenmalige gemachtigde van
appellante brieven ontvangen, gevolgd door brieven van appellante van 14
mei, 23 mei en 3 juni 2005.
Op 3 juni 2005 heeft mr. J.P. van Vulpen, advocaat te Haarlem, zich als
gemachtigde van appellante gesteld.
Bij brief van 1 juli 2005 heeft genoemde gemachtigde van appellante nog
nadere stukken ingediend.
Van de kant van gedaagde zijn bij brief van 21 juli 2005 ter kennisname
nog twee uitspraken van de rechtbank Alkmaar ontvangen.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 27 juli 2005, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Vulpen,
voornoemd, en waar gedaagde met voorafgaand bericht, niet is verschenen.
II. MOTIVERING
04/2885 AAW
Aan appellante, destijds werkzaam als zelfstandig autorijschoolhoudster,
is per 1 oktober 1984 wegens arbeidsongeschiktheid in verband met
rugklachten uitkering ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80
tot 100%. Na omscholing is appellante in 1992 gaan werken als
plaatsvervangend docente godsdienst en maatschappijleer, waarna de
AAW-uitkering per 1 december 1994 is ingetrokken. Dit besluit staat in
rechte vast.
Na verscheidene niet gehonoreerde verzoeken om heropening van de
AAW-uitkering is namens appellante in juli 1998 verzocht terug te komen
van de intrekking van de AAW-uitkering per 1 december 1994 dan wel haar
per 7 januari 1997 c.q. 7 januari 1998 een AAW-uitkering toe te kennen
in verband met toegenomen klachten mede als gevolg van een haar
overkomen auto-ongeval in januari 1997. Bij besluit van 4 augustus 1998
heeft gedaagde de eerste twee verzoeken afgewezen en zich onbevoegd
geacht te oordelen over het derde verzoek. Dit besluit staat eveneens in
rechte vast.
Op 5 oktober 2000 is namens appellante wederom verzocht terug te komen
van de intrekking van de AAW-uitkering per 1 december 1994 en voorts
verzocht om heropening van de AAW-uitkering binnen vier weken na de
intrekking dan wel heropening van de AAW-uitkering per 7 januari 1997.
Deze verzoeken zijn afgewezen bij besluit van 24 juli 2001. Bij besluit
van 4 februari 2002 heeft gedaagde de bezwaren tegen het besluit van 24
juli 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 6 januari 2003 het beroep voor
zover dit betrekking had op de weigering terug te komen van de
intrekking van de AAW-uitkering per 1 december 1994 ongegrond verklaard
en het beroep voor het overige gegrond verklaard omdat gedaagde geen
toepassing had gegeven aan artikel 20 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekerings zelfstandigen (WAZ). Tegen deze
uitspraak heeft appellante noch gedaagde hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft na nader medisch onderzoek bij besluit van 8 april 2003
(hierna: bestreden besluit 1) de bezwaren van appellante tegen het
besluit van 24 juli 2001 wederom ongegrond verklaard. Ten aanzien van de
weigering de AAW-uitkering per 7 januari 1997 te heropenen is daarbij
overwogen dat appellante toegenomen arbeidsongeschikt is, maar dat deze
ongeschiktheid voortkomt uit een andere oorzaak, te weten hoofd-, nek-
en schouderklachten als gevolg van een bij het auto-ongeval in 1997
opgelopen whiplashletsel. De rechtbank heeft bij uitspraak 1 het beroep
tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de
rechtbank, onder meer, geoordeeld dat het geding alleen nog betrekking
heeft op de weigering de AAW-uitkering per 7 januari 1997 te heropenen.
Appellante heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar de rapporten van
de behandelend orthopedisch chirurg, neuroloog en psychiater, aangevoerd
dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de medische feiten.
Door de whiplash is het totaal aan klachten verergerd.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad stelt met de rechtbank vast dat thans alleen in geding is
gedaagdes weigering de AAW-uitkering te heropenen per 7 januari 1997.
Voorts stelt de Raad vast dat bij het besluit van 4 augustus 1998
afwijzend is beslist op het verzoek van appellante om de AAW-uitkering
te herzien. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Op 5
oktober 2000 heeft appellante een nieuwe aanvraag van dezelfde strekking
ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde de zaak opnieuw
beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.
Bij voormelde uitspraak van 6 januari 2003 heeft de rechtbank het beroep
tegen het desbetreffende besluit op bezwaar van 4 februari 2002 gegrond
verklaard wegens evidente onjuistheid van dat besluit, waarna een
volledige heroverweging heeft plaatsgehad gevolgd door het thans
bestreden besluit 1.
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad is een bestuursorgaan in het
algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag
inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in
volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg.
Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de
eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een
toetsing door de bestuursrechter als betrof het een oorspronkelijk
besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de
dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van
rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de
bestuursrechter in een zodanig geval uit te gaan van de oorspronkelijke
afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van
nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het
bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het
oorspronkelijke besluit te herzien.
De Raad stelt vast dat de rechtbank heeft miskend dat bestreden besluit
1 nog steeds is een besluit na een herhaalde aanvraag, zodat dit besluit
met toepassing van artikel 4:6 van de Awb dient te worden getoetst.
Blijkens uitspraak 1 heeft de rechtbank besluit 1 echter aan een volle
toets onderworpen.
Gezien het vorenstaande staat de Raad eerst voor de vraag of hetgeen
appellante in de loop van de procedure heeft aangevoerd kan worden
aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als
bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.
Ter ondersteuning van haar herhaalde aanvraag heeft appellante een
rapport van de zenuwarts S. Pruyt van 28 juni 1998 overgelegd. Dat
rapport heeft reeds bij de aanvraag in 1998 een rol gespeeld en kan dus
niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of omstandigheid.
Naar het oordeel van de Raad betreffen de overige door appellante bij
haar aanvraag en in het kader van de behandeling van het bezwaarschrift
ingezonden medische gegevens informatie die of wel reeds bij gedaagde
bekend was of wel betrekking heeft op de gezondheidstoestand van
appellante op tijdstippen na de datum in geding, 7 januari 1997. De Raad
is van oordeel dat ook deze informatie niet kan worden aangemerkt als
nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Gelet daarop kan
naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde niet in
redelijkheid heeft kunnen weigeren terug te komen van zijn eerdere
weigering de AAW-uitkering per 7 januari 1997 te heropenen, terwijl ook
niet kan worden gezegd dat gedaagde daarbij anderszins heeft gehandeld
in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een
algemeen rechtsbeginsel. Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep
tegen uitspraak 1 niet. Uitspraak 1 dient dan ook - zij het met
verbetering van gronden - te worden bevestigd.
04/2884 WAO
Eind 2000 heeft appellante haar werkzaamheden hervat. Nadat een per 16
januari 2001 aangevangen dienstverband met een school in Rotterdam per
31 juli 2001 van rechtswege was geëindigd, heeft appellante zich op 19
oktober 2001 bij gedaagde ziek gemeld met - volgens appellante sedert 1
augustus 2001 bestaande - slaapstoornissen, problemen in verband met een
arbeidsconflict en schouderklachten. Op 10 juli 2002 heeft zij uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
aangevraagd.
Na onderzoek op 2 september 2002 door een verzekeringsarts is appellante
bij het einde van de wachttijd (door gedaagde gesteld op 18 oktober
2002) belastbaar geacht met gangbare arbeid voor 40 uur per week.
Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige appellante geschikt geacht voor
het eigen werk van lerares godsdienst en maatschappijleer voor 27,7
klokuur per week. Bij besluit van 18 oktober 2002 heeft gedaagde
geweigerd appellante met ingang van diezelfde datum een WAO-uitkering
toe te kennen. Bij besluit van 6 februari 2003 zijn de bezwaren tegen
het besluit van 18 oktober 2002 ongegrond verklaard. Hangende het tegen
het besluit van 6 februari 2003 ingestelde beroep heeft gedaagde dit
besluit ingetrokken vanwege gebreken in de arbeidskundige onderbouwing
en op 3 juli 2003 een nieuw besluit op bezwaar (hierna: bestreden
besluit 2) afgegeven, waarbij de bezwaren van appellante wederom
ongegrond zijn verklaard.
De rechtbank heeft, mede op basis van een door haar ingewonnen
deskundigenrapport van de arts J.A. Zuidema van 22 december 2003, het
beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij niet 27,5 uur kan
werken omdat haar concentratie niet meer op werkniveau is door de
whiplashhandicap en medicijngebruik. Zij heeft gevraagd om een nader
medisch onderzoek. Bovendien stelt appellante dat de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag op 1 augustus 2001 dient te worden gesteld.
De Raad oordeelt als volgt.
Ten aanzien van de vraag welke dag als eerste arbeidsongeschiktheidsdag
dient te worden aangemerkt, gaat de Raad uit van de dag van ziekmelding,
19 oktober 2001. Van een eerdere ziekmelding is de Raad uit de
gedingstukken niet gebleken.
In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel
van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige
in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond
waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te
wijken is de Raad niet gebleken. Zuidema heeft kennis genomen van de
gedingstukken en een deugdelijk onderbouwd en consistent rapport
uitgebracht waarin hij de voor appellante aangenomen beperkingen heeft
onderschreven en haar geschikt heeft geacht voor de eigen functie van
docent. In zijn nadere rapport van 20 februari 2004 geeft Zuidema aan
dat zich bij appellante in de vroege adolescentie een
persoonlijkheidsstoornis heeft ontwikkeld, maar dat zij daarmee op
normale wijze door het leven is gegaan en dat zij in staat mag worden
geacht als docent werkzaam te zijn.
De door appellante ingezonden medische informatie geeft de Raad geen
aanleiding het oordeel van Zuidema niet te volgen. De rechtbank heeft
dan ook terecht geoordeeld dat appellante, met inachtneming van de voor
haar vastgestelde beperkingen, belastbaar is met arbeid. Gezien de door
bezwaararbeidsdeskundige H.J.M. Saris gegeven beschrijving van de
belasting in de door appellante laatstelijk vervulde functie heeft
gedaagde appellante terecht geschikt geacht voor de maatgevende arbeid.
Omdat sedert 1 augustus 2001 echter geen dienstverband meer bestaat, wordt als
maatgevende arbeid aangemerkt een vergelijkbare docentenfunctie bij een
andere werkgever. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde voldoende
aannemelijk gemaakt dat de functie van docent godsdienst en
maatschappijleer ook bij andere werkgevers voorkomt.
Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep tegen uitspraak 2 niet
en dient ook deze uitspraak te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigd de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. J.W.
Schuttel en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid
van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7
september 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Gunter.
|
|