|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/1513 WAO en 04/6584 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 2 april 2001 heeft gedaagde afwijzend beslist op het
verzoek van appellant hem met ingang van 21 mei 2001 een uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO) te verlenen.
Gedaagde heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 5
juni 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank Arnhem heeft het tegen laatstgenoemd besluit (het bestreden
besluit) ingestelde beroep bij uitspraak van 17 februari 2003 (reg.nr.
02/1311 WAO) ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft N.D. Bovenkamp-Daane, werkzaam bij Juricon
adviesgroep BV, op bij beroepschrift (met bijlagen) en aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep
ingesteld.
Gedaagde heeft bij schrijven van 7 mei 2003 van verweer gediend.
Bij brieven van 30 juni 2004 en 3 augustus 2004 heeft J.R. Beukema,
eveneens werkzaam bij Juricon adviesgroep BV, nog enige stukken
ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 13 augustus 2004, waar partijen niet zijn verschenen.
Omdat het onderzoek naar het oordeel van de Raad niet volledig was
geweest is dit heropend.
Desverzocht heeft gedaagde bij brief van 20 oktober 2004 enige
inlichtingen verstrekt.
Bij brief van 22 november 2004 heeft gedaagde een besluit van die datum
ingezonden, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 2 april 2001
alsnog gegrond is verklaard en waarbij appellant met ingang van 21 mei
2001 een uitkering ingevolge de WAO is toegekend, berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Bij faxbericht en brief van 24 januari 2005 heeft gedaagde een rapport
van die datum van de bezwaararbeidsdeskundige F. van den Berg
ingezonden.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4
februari 2005, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde J.R.
Beukema en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.H.
Nuyens, werkzaam bij het Uwv. De behandeling van de gedingen is ter
zitting geschorst teneinde gedaagde in de gelegenheid te stellen stukken
van arbeidskundige aard in te zenden.
Bij brief van 8 maart 2005 heeft gedaagde deze stukken ingezonden.
Bij brief van 10 maart 2005 heeft appellant daarop een reactie gegeven
en een hem betreffend rapport ingezonden van de klinisch psycholoog W.D.
van der Zwaag.
Gedaagde heeft bij brief van 8 april 2005 op laatstgenoemd rapport een
commentaar van 29 maart 2005 van de bezwaarverzekeringsarts S. Gommers
ingezonden, waarop appellant bij brief van 28 april 2005 heeft
gereageerd.
Desverzocht heeft gedaagde bij brief van 3 mei 2005 door inzending van
een rapport van 26 april 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige Van den
Berg, voornoemd, nog een inlichting verstrekt.
Appellant heeft bij op 8 augustus 2005 ingekomen brief een schrijven van
18 juli 2005 van de klinisch psycholoog Van der Zwaag ingezonden.
De behandeling van de gedingen is voortgezet ter zitting van de Raad,
gehouden op 19 augustus 2005, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde J.R.
Beukema, voornoemd, en waar gedaagde, met schriftelijke kennisgeving,
zich niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Met het besluit van 22 november 2004 is wijziging gebracht in het
bestreden besluit. Nu het besluit van 22 november 2004 niet geheel aan
appellants beroep tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19,
eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep
geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit. Gedaagde heeft te kennen
gegeven het in het bestreden besluit ingenomen standpunt niet langer te
handhaven. Hierdoor kan dit besluit geacht worden te zijn ingetrokken.
Uit 's Raads uitspraak van 4 februari 1997, gepubliceerd in RSV 1997/297, volgt dat in zo'n geval
belang bij een beoordeling van dat besluit in principe is komen te
vervallen, tenzij van zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is
om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van
de Awb. In dit geval heeft appellant een dergelijk verzoek gedaan, zodat
appellant belang heeft behouden bij een vernietiging van de aangevallen
uitspraak en het bestreden besluit. De Raad zal daartoe dan ook
overgaan.
Voor een overzicht van de voor deze gedingen van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in rubriek 2
van de aangevallen uitspraak daaromtrent heeft weergegeven. De Raad
volstaat hier met de vermelding dat appellant zijn werkzaamheden in
verband met een verkeersongeval op 22 mei 2000 heeft moeten staken. Bij het besluit van 22 november 2004
heeft gedaagde, na de eerdere bij het bestreden besluit gehandhaafde
afwijzing van appellants aanvraag om een WAO-uitkering, aan appellant na
voltooiing van de wettelijk voorgeschreven wachttijd van 52 weken met
ingang van 21 mei 2001 alsnog uitkering ingevolge de WAO verleend,
berekend naar een mate van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid. Dit besluit
steunt op het nader gevormde inzicht van gedaagde dat voor appellant met
inachtneming van zijn medische beperkingen geschikte functies zijn te
selecteren, waarmee, anders dan bij het bestreden besluit is aangenomen,
hij een zodanig inkomen kan verwerven dat een relevant verlies aan
verdiencapaciteit resteert van 16,2%, hetgeen leidt tot indeling in de
arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking de
medische grondslag van de onderwerpelijke
arbeidsongeschiktheidsschatting. De Raad ontleent aan de in hoger beroep
bekend geworden gegevens geen aanwijzingen dat de belastbaarheid van
appellant ten tijde hier in geding is overschat. Veeleer vormt het in
hoger beroep door appellant overgelegde rapport van de klinisch
psycholoog Van der Zwaag een bevestiging dat appellant beperkt is voor
tijd- en tempodruk, welke beperkingen reeds door de verzekeringsarts P.
Janssen in het beperkingenpatroon van 13 februari 2001 zijn aanvaard.
Ook de overige met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellant
bekend geworden gegevens geven onvoldoende aanknopingspunten voor de
veronderstelling dat appellant ernstiger beperkt zou zijn dan de
verzekeringsarts Janssen heeft aangenomen.
De bezwaarverzekeringsarts Gommers, voornoemd, heeft zich bij rapport
van 22 november 2001 geheel kunnen verenigen met de zienswijze van de
verzekeringsarts Janssen en heeft in zijn in hoger beroep overgelegd
rapport van 29 maart 2005 opgemerkt dat er geen aanleiding was af te
wijken van de eerdere zienswijze, waaronder begrepen die ten aanzien van
de hiervoor genoemde beperkingen voor tijds- en tempodruk.
Ten aanzien van de arbeidskundige kant overweegt de Raad dat gedaagde in
de loop van de gedingvoering het maatmaninkomen heeft herberekend, omdat
dit onjuist was vastgesteld en dat als gevolg daarvan de berekening van
het arbeidsongeschiktheidspercentage moest worden herzien. Daaruit is
het besluit van 22 november 2004 voortgevloeid. De Raad kan evenwel, ook na deze
correctie, de arbeidskundige grondslag van de schatting niet als juist
aanvaarden.
Gedaagde heeft zich immers nadien ook op het standpunt gesteld dat de
voor appellant geselecteerde functiebestandscode 8539 moest vervallen,
omdat deze gevuld was met een onvoldoende aantal actuele functies. Aldus
resteren, gelet op de arbeidsmogelijkhedenlijst van 12 maart 2001 de
fb-codes 8535 (wikkelaar), 8463 (samensteller) en 8030
(lederwarenmaker). Partijen verschillen in het bijzonder van mening of
de vermelding van aanmerkelijke tijdsdruk en dwingend tempo in de
belastingpatronen van de onderscheidene functies van lederwarenmaker,
gelet op de ter zake bestaande beperkingen van appellant, betekent dat
deze functies niet geschikt zijn te achten. Daaromtrent heeft de
bezwaararbeidsdeskundige Van den Berg in haar rapport van 26 april 2005
opgemerkt dat de functie naar haar oordeel in een rustig tempo valt uit
te voeren en dat er geen bovenmatige werkdruk ontstaat. Daarbij heeft
zij verwezen naar de bespreking van 15 juni 2001 (lees: 25 juni 2001)
van de verzekeringsarts Janssen van mogelijke overschrijdingen van de
belastbaarheid van appellant.
De Raad is het evenwel niet ontgaan dat in dit rapport is vermeld dat de
functie van lederwarenmaker niet passend is. Ook als dit op een
verschrijving zou berusten, gedaagde is immers in de gedingvoering
nadien van de geschiktheid van die functie uitgegaan, dan nog acht de
Raad het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige onvoldoende
gemotiveerd. Immers als dit gevolgd zou worden dan valt niet te
begrijpen waarom in de belastingpatronen van de functie lederwarenmaker
melding wordt gemaakt van aanmerkelijke tijdsdruk en dwingend tempo.
Zoals de Raad al vaker heeft overwogen kan van de juistheid van de in
het zogeheten Functie-informatiesysteem opgenomen gegevens worden
uitgegaan, tenzij aangetoond wordt dat deze onjuist zijn. Daartoe is
onvoldoende dat de bezwaararbeidsdeskundige op basis van de in dit
systeem opgenomen gegevens de belasting in de in aanmerking genomen
functie(s) in algemene zin relativeert.
Aldus komt de Raad tot het oordeel dat de functiebestandscode
lederwarenmaker niet gevuld is met voor appellant geschikt te achten
functies en dat als gevolg hiervan er onvoldoende functies resteren om
de schatting te kunnen dragen.
Het besluit van 22 november 2004 komt deswege voor vernietiging in
aanmerking. Gedaagde zal met betrekking tot de toekenning aan appellant
van uitkering ingevolge de WAO per 21 mei 2001 een nieuw besluit op
bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak
is overwogen.
Dit betekent tevens dat het thans niet op de weg van de Raad ligt om
zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe
het nieuwe besluit zal gaan luiden.
Gedaagde zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens
aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om
schade te vergoeden. Daarbij merkt de Raad nog wel op dat door de
vernietiging van het bestreden besluit en het in artikel 8:69 van de Awb
besloten liggende verbod van reformatio in peius vaststaat dat appellant
na einde wachttijd recht heeft op een WAO-uitkering niet lager dan
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Dientengevolge heeft appellant recht op wettelijke rente over het
terzake na te betalen uitkeringsbedrag. Nu gedaagde nader heeft te
bezien of er reden is de mate van arbeidsongeschiktheid te herzien naar
een hoger percentage, ziet de Raad om praktische redenen ervan af reeds
nu tot toewijzing van de door appellant gevraagde wettelijke rente als
schadevergoeding over te gaan.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende
rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 966,- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep en op € 850,- als vergoeding van de
kosten verbonden aan de door de partijdeskundige W.D. van der Zwaag
uitgebrachte rapporten, totaal derhalve € 2460.-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit van 5 juni 2002;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn
gericht tegen het besluit van 22 november 2004 gegrond;
Vernietigt het besluit van 22 november 2004;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2460,-, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van mr. A.C.W.
van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 september
2005.
get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.C.W. Huussen.
|
|