|
Uitspraak
03/5149 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 13 maart 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellante
een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) toe te kennen, onder overweging dat appellante, na afloop van de
wettelijke wachttijd van 52 weken, op 19 mei 1998 geschikt werd geacht
voor gangbaar werk en minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 5 november 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2000 ongegrond
verklaard.
De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 4 september 2003, nummer
SBR 02/2688, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. P.E.M. Meijer, advocaat te Amersfoort, tegen
die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 augustus 2005,
waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L. Demmer,
advocaat te Amersfoort, en waar namens gedaagde, na voorafgaand
schriftelijk bericht, niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellante was laatstelijk gedurende 15 uur per week werkzaam als
schoonmaakster van schoolgebouwen bij CFD Facilitaire Dienstverlening
u.a. te Schagen. In mei 1997 is zij met zwangerschapsgerelateerde
klachten uitgevallen. Na de bevalling had zij diverse pijnklachten.
In het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voor de WAO is
appellante op 30 november 1999 onderzocht door een verzekeringsarts. Deze heeft op
grond van dat onderzoek en op basis van de door de huisarts en
behandelend reumatoloog verstrekte informatie, waaruit onder meer bleek
dat ten aanzien van appellante de diagnose fibromyalgie was gesteld, de
beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid vastgesteld.
Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige met inachtneming van die
beperkingen passende functies geselecteerd. Vergelijking van de
loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen
met het voor appellante geldende maatmaninkomen resulteerde volgens de
arbeidsdeskundige in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan
15%. In overeenstemming hiermee heeft gedaagde appellante per 19 mei
1998 minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht en geweigerd om haar voor
een uitkering ingevolge de WAO in aanmerking te brengen.
De bezwaarverzekeringsarts heeft geoordeeld dat de fibromyalgie
locomotoire en energetische beperkingen met zich mee brengt en heeft het
belastbaarheidspatroon op een aantal aspecten aangescherpt. De
bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens geconstateerd dat van de
oorspronkelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies nog een
drietal functies resteerde om de schatting op te baseren. Bij het
bestreden besluit heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 13
maart 2000 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 januari 2002 heeft de rechtbank Utrecht het
daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 7
december 2000 vernietigd omdat gedaagde bij de voorbereiding van het
besluit geen aandacht had besteed aan de door appellante ondervonden
nekklachten, terwijl op grond van de aan de rechtbank ter beschikking
staande gegevens niet kon worden uitgesloten dat appellante hiervan ook
al op 19 mei 1998 last had.
Na nadere informatie bij de huisarts te hebben ingewonnen heeft de
bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat op of rond 19 mei 1998 nog
geen sprake was van nekklachten en dat derhalve het (aangescherpte)
belastbaarheidspatroon op die datum ongewijzigd van toepassing was.
Gedaagde heeft vervolgens bij een hernieuwd besluit op bezwaar van 5 november 2002, het thans bestreden besluit, het bezwaar tegen het
besluit van 13 maart 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak ten aanzien van de
nekklachten het volgende overwogen:
“Blijkens een brief van de reumatoloog dr. A.H.M. Heurkens van 20
oktober 1999 was er op 18 oktober 1999 “sinds 5 maanden sprake van
pijn in de linkerflank; uitstralend naar de gehele linkerzijde van de
borstwand, later dezelfde klachten ook rechts. Weer later ook pijn in
schouders, nek, voeten en knieën.” Uit een brief van de huisarts
E.B.C. Schenkels van 3 mei 2002 blijkt voorts dat een verwijzing naar de
fysiotherapeut op 15 juni 1999 heeft plaatsgevonden. Blijkens een brief
van de fysiotherapeut B. Post-Hoes van 25 mei 2000 is eiseres tussen 22
oktober 1999 en 6 april 2000 onder fysiotherapeutische behandeling geweest in verband
met pijn in hoofd, nek, schouders, LWK (lumbale wervel kolom) en knieën.
Gezien het voorgaande alsmede gezien eerdergenoemde rapportages van de
bezwaarverzekeringsarts, waarnaar verweerder in het thans bestreden
besluit heeft verwezen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder thans
voldoende heeft gemotiveerd waarom hij van mening is dat op de datum in
geding, te weten 19 mei 1998, de nekklachten nog niet bestonden. Naar
het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet gezegd worden dat
verweerders primaire verzekeringsarts de belastbaarheid van eiseres op
dat punt heeft overschat. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiseres
geen medische stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van haar
stelling dat zij op 19 mei 1998 reeds leed aan nekklachten. In het
journaal van de vorige huisarts van eiseres zijn bovendien geen
rechtstreekse aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat eiseres
op of omstreeks de datum in geding leed aan nekklachten. De door eiseres
overgelegde getuigenverklaringen en de door eiseres naar voren gebrachte
omstandigheid dat zij in 1999 van huisarts is veranderd omdat zij zich
door haar vorige huisarts onvoldoende serieus genomen voelde, acht de
rechtbank onvoldoende om eiseres in haar standpunt te volgen dat zij op
de datum in geding reeds last had van nekklachten.”
Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat de aan de schatting ten
grondslag gelegde functies qua belasting in overeenstemming zijn met het
geldende belastbaarheidspatroon en voldoende realiteitswaarde bezitten.
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat aan de nekklachten
van appellante onvoldoende aandacht is besteed en dat in dit opzicht
nader specialistisch onderzoek dient te worden ingesteld. Ter zitting
van de Raad heeft mr. Demmer, voornoemd, voorts betoogd dat het geschil
zich teveel heeft toegespitst op de nekklachten en dat onvoldoende
rekening is gehouden met het totaalbeeld van de gewrichtsklachten die
passen bij het ziektebeeld fibromyalgie.
De Raad oordeelt als volgt.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de medische beperkingen ten
tijde in geding correct zijn vastgesteld.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de
hiervoor weergegeven overwegingen in de aangevallen uitspraak. Hetgeen
in hoger beroep namens appellante is aangevoerd maar overigens niet is
onderbouwd met nadere medische gegevens, biedt onvoldoende
aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen
van een nader medisch onderzoek.
Vergelijking van het voor appellante geldende maatmaninkomen met het
loon dat zij nog kan verdienen met de voor haar passend te achten
werkzaamheden resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van
minder dan 15%.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid
van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5
oktober 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
|
|