|
Uitspraak
01/2987 WAO en 01/2988 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. H. Cornelis, advocaat te Utrecht, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Arnhem op 18 april 2001 tussen partijen
gegeven uitspraak (reg.nrs. 1998/1654, 2000/531), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van een verzoek van mr. Cornelis heeft gedaagde de
stukken toegezonden die ten grondslag hebben gelegen aan een ten aanzien
van appellante genomen besluit van 30 oktober 1995.
Mr. Cornelis heeft een op 11 juli 2002 door haar medisch adviseur drs.
A.W. Lechner, arts te Rotterdam, uitgebracht advies ingezonden, waarop
van de zijde van gedaagde is gereageerd bij rapport van
bezwaarverzekeringsarts S. Gommers van 27 augustus 2002. Lechner heeft op dit rapport gereageerd bij brief van
15 oktober 2002.
Op verzoek van de Raad hebben achtereenvolgens M.P. Rulkens,
revalidatiearts te Arnhem, en R.A. Achilles, psychiater te Amsterdam,
appellante onderzocht en op respectievelijk 19 februari 2004 en 17
november 2004 rapport over hun bevindingen uitgebracht. Desgevraagd
heeft Achilles, voornoemd, bij brief van 4 maart 2005 laten weten een
aantal vragen niet te kunnen beantwoorden. Desgevraagd heeft gedaagde
gereageerd op het door Achilles uitgebrachte rapport door middel van een
rapport van Gommers van 7 juni 2005, op welk rapport Achilles
desgevraagd heeft gereageerd per brief van 27 juli 2005.
Bij brief van 14 september 2005 heeft mr. Cornelis nog enkele stukken in
geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 oktober 2005, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Cornelis, en
waar namens gedaagde is verschenen mr. J.A.M. Anedda, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante was werkzaam als beleidsmedewerkster bij een vakorganisatie
voor onderwijzend personeel toen zij in mei 1994 uitviel met
darmklachten. Na het bereiken van het einde van de wachttijd is aan haar
een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) toegekend. Na verloop van tijd heeft zij haar werk weer volledig
hervat en heeft gedaagde de WAO-uitkering met ingang van 1 november 1995
ingetrokken. Op 24 februari 1997 is appellante opnieuw uitgevallen met
darmklachten. De verzekeringsarts H.I.T. Nauta-Brüggeman heeft
appellante onderzocht en de actuele belastbaarheid vastgelegd. Na
arbeidskundig onderzoek is een verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld
van 66%. Bij twee besluiten van 18 februari 1998 is aan appellante na
vier weken wachttijd met ingang van 24 maart 1997 een WAO-uitkering
toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%,
respectievelijk de WAO-uitkering met ingang van 13 april 1998 herzien naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65
tot 80. Het bezwaar van appellante tegen de verlaging van haar
WAO-uitkering is bij besluit van 28 augustus 1998 (bestreden besluit 1)
ongegrond verklaard.
In het kader van de eerstejaarsherbeoordeling is appellante onderzocht
door de verzekeringsarts W.T.M. Swartjes, die na eigen onderzoek en
bestudering van de door hem opgevraagde informatie bij de behandelend
orthopedisch chirurg P.F. de Bruijn, tot de conclusie kwam dat de eerder vastgestelde
belastbaarheid onverminderd van toepassing was. Arbeidskundig onderzoek
liet een verlies aan verdiencapaciteit zien van 69,8%, waarna bij
besluit van 6 september 1999 de mate van arbeidsongeschiktheid
onveranderd is vastgesteld op 65 tot 80%. Het bezwaar van appellante
tegen deze beslissing verklaarde gedaagde bij besluit van 18 februari
2000 (bestreden besluit 2) ongegrond.
De rechtbank heeft beide beroepen van appellante ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante het standpunt ingenomen dat zij meer
beperkt is dan gedaagde heeft aangenomen en dat de aan de schatting ten
grondslag gelegde functies niet door haar kunnen worden vervuld. Volgens
appellante heeft gedaagde zowel haar darmklachten als haar nek- en
schouderklachten onderschat en heeft ten onrechte geen onderzoek
plaatsgevonden of bij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies
de mogelijkheid aanwezig is om zich te kunnen wassen en verschonen en of
de werkplek acuut kan worden verlaten.
De Raad overweegt als volgt.
Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de bestreden besluiten
op een juiste medische grondslag berusten.
De namens appellante in geding gebrachte rapportage van de arts Lechner
heeft de Raad aanvankelijk aanleiding gegeven een rapport over de
medische situatie van appellante op respectievelijk 13 april 1998 en 6
september 1999 te laten uitbrengen door de revalidatiearts Rulkens.
Rulkens heeft in zijn rapport van 19 februari 2004 aangegeven dat
volgens hem geen anatomisch substraat voor de klachten van appellante
kan worden aangegeven, maar dat er wel sprake is van een psycho somatose.
Teneinde de ernst hiervan vast te stellen heeft Rulkens geadviseerd
appellante te laten onderzoeken door een psychiater. Blijkens het
rapport van 17 november 2004 heeft de psychiater Achilles geconstateerd
dat er zowel ten tijde van zijn onderzoek als ten tijde van de in geding
zijnde data 13 april 1998 en 6 september 1999 bij appellante sprake is
van een paniekstoornis met agorafobie en dat er trekken aanwezig zijn
van een obsessieve compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Achilles heeft
geen standpunt ingenomen over de door de verzekeringsartsen vastgestelde
belastbaarheid van appellante en evenmin antwoord gegeven op de vraag of
appellante op de data in geding in staat was tot het vervullen van de
aan de schattingen ten grondslag gelegde functies. In zijn gestelde
diagnose volgens DSM-IV is er op As I naast de paniekstoornis met
agorafobie tevens sprake van een depressieve stoornis, in remissie.
In zijn reactie op het rapport van Achilles heeft Gommers uiteengezet
dat de bevindingen van Achilles niet leiden tot het aannemen van
verdergaande beperkingen. Volgens Gommers geeft het aanwezig zijn van
trekken van een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis geen
aanleiding tot het aannemen van beperkingen op basis van ziekte of
gebrek en heeft appellante feitelijk ondanks deze
persoonlijkheidsproblematiek gefunctioneerd in arbeid.
Naar zijn mening was op de data in geding geen sprake van een
depressieve stoornis en is met de problematiek van de paniekstoornis met
agorafobie voldoende rekening gehouden bij het vaststellen van de
belastbaarheid. Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde verder
naar voren gebracht dat Gommers op vragen van die gemachtigde heeft
uiteengezet dat, indien wordt aangenomen dat er wel sprake zou zijn van
een depressieve stoornis, deze stoornis niet tot het aannemen van meer
beperkingen aanleiding geeft. Daarbij heeft Gommers opgemerkt dat in het
geval van appellante aanzienlijke beperkingen ten aanzien van psychisch
belastende factoren zijn aangenomen.
De Raad heeft, gelet op de hiervoor weergegeven medische gegevens, geen
aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van
het bestreden besluit. Met de klachten van appellante is bij het
vaststellen van de respectievelijke (gelijkluidende)
belastbaarheidspatronen voldoende rekening gehouden. Appellante heeft
althans na ontvangst van de rapporten van de dezerzijds ingeschakelde
artsen geen medische gegevens in geding gebracht die aanleiding zouden
moeten geven tot een andersluidend standpunt, dan wel tot twijfel. Aan
het standpunt van de huisarts van appellante dat appellante per februari
1998 dusdanig gammel was dat fulltime werk niet aan de orde was, gaat de
Raad voorbij als zijnde een niet nader medisch onderbouwde inschatting.
Met inachtneming van de voor haar geldende belastbaarheid moet
appellante in staat worden geacht de aan de schattingen ten grondslag
gelegde functies te verrichten. Het standpunt van appellante dat
gedaagde had dienen te onderzoeken of bij deze functies de mogelijkheid
bestaat om zich te kunnen wassen en verschonen onderschrijft de Raad
niet. Met gedaagde is de Raad van oordeel dat appellantes stelling dat
sprake is van een medische noodzaak om zich te kunnen wassen en
verschonen niet wordt ondersteund met medische gegevens, terwijl
daarnaast met de invoering van artikel 2, aanhef en onder c, van het
Schattingsbesluit het eerder door de Raad gehanteerde criterium dat een
functie slechts kan worden geduid indien vaststaat dat voorzieningen bij
indiensttreding zullen worden getroffen dan wel reeds zijn getroffen, is
verlaten.
Het mediaanloon van de drie hoogstverlonende functies, afgezet tegen het
maatmaninkomen levert in beide in geding zijnde situaties een verlies
aan verdiencapaciteit op, dat indeling in de
arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80% rechtvaardigt.
Voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep
niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en mr.
M.C. Bruning en mr. P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.
Meijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 november 2005.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) J.E. Meijer.
|
|