|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/304 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 9 april 2001 heeft gedaagde de uitkering van appellant
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke
laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80
tot 100%, met ingang van 6 juni 2001 herzien naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
Gedaagde heeft het tegen dit besluit door mr. E. Stap, advocaat te
Amsterdam, namens appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 17 augustus
2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft het door de gemachtigde van appellant
ingestelde beroep tegen het besluit van 17 augustus 2001 (hierna: het
bestreden besluit) bij uitspraak van 8 december 2003, reg.nr. AWB
02/1317 WAO, ongegrond verklaard.
De gemachtigde van appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift
aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 oktober 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en
de tolk M. Essebai, en waar namens gedaagde is verschenen A.
Anandbahadoer, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant was werkzaam als groentensnijder toen hij zich op 26 augustus
1999 ziek meldde met schouder- en rugklachten. Appellant ontwikkelde
nadien ook psychische klachten. De verzekeringsarts M. Molenaar stelde
blijkens het rapport van haar onderzoek op 19 juni 2000 vast dat de
psychische problematiek de boventoon voerde en gaf als diagnose een
aanpassingsstoornis of depressieve reactie. Zij concludeerde tot een
onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren en achtte een
vervolgonderzoek over 6 maanden aangewezen. Op basis hiervan kende
gedaagde bij besluit van 23 augustus 2000 aan appellant met ingang van
24 augustus 2000 een WAO-uitkering toe, welke werd berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Blijkens een rapport van Molenaar van 11 september 2000 bracht een brief
van de appellant behandelend psychiater A. Korzec van 25 juli 2000,
waarin sprake was van de diagnose depressieve stoornis en
somatisatiestoornis en informatie werd gegeven over de gestarte
behandeling, geen wijziging in haar eerder gegeven oordeel. Vervolgens
vond het vervolgonderzoek op 20 februari 2001 plaats. Appellant meldde
aan Molenaar blijkens het rapport van dit onderzoek van dezelfde datum
dat de psychiater hem had gezegd geen behandeling voor hem te hebben en
dat appellant was gestopt met de antidepressiva. Ook de huisarts kon,
aldus appellant, niets aan zijn klachten doen. Bij het lichamelijk
onderzoek stelde Molenaar geen bewegingsbeperkingen vast. Voorts
concludeerde zij dat appellant fixeerde in het niet kunnen functioneren
en achtte zij, mede gelet op het dagverhaal met vermelding van enkele
activiteiten, gedeeltelijke reïntegratie de aangewezen weg. Molenaar
legde haar bevindingen vast in een bij haar rapport gevoegd
belastbaarheidsprofiel, waarin zij onder andere beperkingen aangaf op de
onderdelen 28A (werken onder tijdsdruk) en 28E (conflicthantering) en
een urenbeperking tot maximaal 20 uur per week stelde. Op basis hiervan
en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 26 maart 2001
selecteerde de arbeidsdeskundige B.J. Tijmensma blijkens zijn rapport
van 5 april 2001 een aantal functies en berekende hij, uitgaande van de
middelste van de drie hoogst verlonende functies het verlies aan
verdienvermogen op 57,4%, waarna gedaagde het primaire besluit van 9
april 2001 nam.
In de bezwaarprocedure had de bezwaarverzekeringsarts W.A. Faas blijkens
zijn rapport van 8 augustus 2001 de beschikking over een brief van de
huisarts van 24 april 2001, waarin de klachten van appellant werden
vermeld en werd aangegeven dat deze klachten hem psychosociaal bepaald
lijken en therapeutisch niet beïnvloedbaar zijn. Faas concludeerde dat
er geen aanleiding was om van de door Molenaar vastgestelde beperkingen
af te wijken. Vervolgens handhaafde gedaagde bij het bestreden besluit
zijn primaire besluit.
Naar aanleiding van het beroep van appellant, waarbij namens hem onder
andere is aangegeven dat bij de vaststelling van zijn belastbaarheid
onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten en dat de voor de
schatting gebruikte en ook de overige door gedaagde vermelde functies
voor appellant niet passend zijn, overwoog de rechtbank in de
overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het
onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel
dat gedaagde van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Voorts was
de rechtbank van oordeel dat de door haar vastgestelde overschrijding
van de belastbaarheid van appellant in de functies medewerker
schoonmaakdienst (fb-code 5414) en schoonmaker (fb-code 5522) niet,
althans onvoldoende gemotiveerd was door gedaagde. Voorts stelde de
rechtbank vast dat op haar zitting de gemachtigde van gedaagde had
aangegeven dat de functie wasserij voor-, nabewerker (fb-code 5609)
onvoldoende actueel was en niet kon worden gehandhaafd. Volgens de
rechtbank bleven er echter, ook indien de door haar genoemde functies
buiten beschouwing worden gelaten, voldoende functies over voor een
schatting zonder gevolgen voor de arbeidsongeschiktheidsklasse en zij
verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep zijn de door appellant in eerdere fasen van de procedure
voorgebrachte bezwaren in essentie herhaald.
De Raad stelt in de eerste plaats vast dat de gemachtigde van appellant
ter zitting met betrekking tot de ook in eerste aanleg reeds
voorgedragen grief dat sprake was van onzorgvuldigheid bij het nemen van
het bestreden besluit omdat appellant niet door de
bezwaarverzekeringsarts nader is onderzocht, heeft erkend dat was
aangekondigd dat deze arts op de hoorzitting, waar appellant niet is
verschenen, aanwezig zou zijn, en dat hij deze grief ter zitting heeft
ingetrokken.
Voorts heeft ook de Raad in de beschikbare gegevens, waaronder ook de
eerst in de beroepsfase aan gedaagde gezonden nadere informatie van de
behandelend sector, geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat
appellant meer dan wel anders beperkt was op de datum in geding dan
gedaagde heeft aangenomen.
De Raad is wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden
besluit weliswaar van oordeel dat ook de functies naaister-stikster
meubelkleding met in totaal negen arbeidsplaatsen behorende tot de
fb-code 7964 niet kunnen worden gehandhaafd omdat in twee van deze
functies met in totaal acht arbeidsplaatsen meer uren dienden te worden
gewerkt dan de medische urenbeperking van appellant toeliet. De Raad
stelt echter tevens vast dat alsdan als grondslag voor de schatting
overblijven de tot de fb-codes 9711, onderscheidenlijk 9103, 8538 en
6227 behorende functies medewerker beddencentrale, respectievelijk
machinebediende kartonnagebewerker, printplatenmonteur en medewerker
champignonkwekerij met in totaal meer dan 30 arbeidsplaatsen en dat,
voor zover in de verwoording van de functiebelastingen van deze functies
sprake is van overschrijdingen, deze niet zien op onderdelen waarop
appellant blijkens het voor hem geldende belastbaarheidspatroon beperkt
is te achten. Voorts stelt de Raad vast dat alsdan evenmin sprake is van
een wijziging van de arbeidsongeschiktheidsklasse.
Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan
houden en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van J.W.
Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 november
2005.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|