|
Uitspraak
03/2676 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard het
bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 22 november 2001, waarbij
hij heeft geweigerd om wegens per februari 2001 toegenomen
arbeidsongeschiktheid over te gaan tot herziening van de aan appellante
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op dat
moment laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%
toegekende uitkering.
Bij uitspraak van 18 april 2003, kenmerk AWB 02/1293 WAO, heeft de
rechtbank Zwolle het beroep van appellante tegen het besluit van 22
oktober 2002 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante op bij aanvullend beroepschrift,
gedateerd 28 mei 2002 (lees: 2003), nader aangevuld en toegelicht bij
brieven van 23 augustus 2003 en 2 juli 2005 (met bijlage), aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 17 juli 2003, ingediend
alsook bij brief van 4 augustus 2005 (met bijlage) een toelichting
gegeven.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 september
2005. Appellante is in persoon verschenen. Voor gedaagde is verschenen E.
’t Jong, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Aan appellante, tot haar uitval op 28 augustus 1974 werkzaam als
groepsleidster in een schippersinternaat, is wegens rugklachten per 29
augustus 1975 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Die mate is bij besluiten van
latere datum gewijzigd, laatstelijk per 1 augustus 1987 in 35-45%, en
daarin is sedertdien geen wijziging meer gebracht.
Op 4 mei 2001 is appellante in het kader van de vijfdejaars-WAO-herbeoordeling op het spreekuur geweest bij verzekeringsarts
W.M.
van der Boog, bij welke gelegenheid zij heeft gesteld sinds een ruggenprik in februari 2001 wegens verergering van reeds jarenlang
bestaande hoofdpijn en gewrichtspijn in handen, schouders, ellebogen,
heupen en knieën toegenomen arbeidsongeschikt te zijn. Van der Boog
heeft op 29 juni 2001 - na van de huisarts van appellante medische
gegevens over de periode van 1972 tot en met 1999 en over de situatie
medio juni 2001, met inbegrip van brieven van diverse medische
specialisten door wie appellante kort daarvoor is behandeld, te hebben
ontvangen - als hoofddiagnose gesteld ”Chronisch vermoeidheids
syndroom/fibromyalgie” en als nevendiagnose ”Chronisch rugklachten,
deels somatisch verklaarbaar vanwege laminectomie en spondylodese”.
Voorts heeft Van der Boog als conclusie getrokken dat appellante
geleidelijk aan in zodanige mate toegenomen arbeidsongeschikt is
geworden dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden meer zijn.
In hetzelfde kader heeft de verzekeringsarts J.A. van der Storm op 11
januari 2002 op basis van de zich in het dossier bevindende gegevens
geconcludeerd dat de in het verleden vastgestelde belastbaarheid van
appellante niet is gewijzigd en arbeidskundig onderzoek achterwege kan
blijven.
Bij het thans bestreden besluit tot handhaving van het primaire besluit
van 22 november 2001, dat strekte tot weigering de WAO-uitkering wegens
per februari 2001 toegenomen arbeidsongeschiktheid te verhogen, heeft
gedaagde overwogen dat onder de gegeven omstandigheden herziening van de
WAO-uitkering naar een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse niet mogelijk
is, omdat - zoals door de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans op 10
september 2002 op grond van de dossierstukken is vastgesteld - de
toename van de mate van arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit de
rugklachten terzake waarvan de WAO-uitkering eerder aan appellante was
toegekend, doch kennelijk andere oorzaken heeft (namelijk chronische
vermoeidheid, fibromyalgie en somatisatie) welke niet in causale relatie
tot die rugklachten staan. De ADL-afhankelijkheid van appellante komt
voort uit ziektegedrag en is derhalve niet, zoals ingevolgde de WAO
vereist, een direct gevolg van ziekte of gebrek, aldus Hofmans.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde
terecht heeft geweigerd de WAO-uitkering aan appellante te verhogen.
Appellante heeft zich in hoger beroep, anders dan eerder in bezwaar en
in beroep, op het standpunt gesteld en ter zitting desgevraagd bevestigd
stellig van mening te zijn uitsluitend wegens per februari 2001
toegenomen rugklachten aanspraak te hebben op indeling in een hogere
arbeidsongeschiktheidsklasse.
Het thans bij de Raad aanhangige geschil is daartoe dan ook beperkt.
De Raad overweegt als volgt.
Op grond van de gedingstukken kan de Raad het door appellante in hoger
beroep ingenomen standpunt niet delen. Appellante is op 4 mei 2001
onderzocht door verzekeringsarts Van der Boog, die in aansluiting op dat
onderzoek inlichtingen heeft ingewonnen bij alsook medio juni 2001
verkregen van de huisarts van appellante en langs die weg tevens de
beschikking heeft gekregen over brieven van medische specialisten
(orthopedisch chirurg J.J. Rondhuis, anesthesioloog J. de Gier en
internist-infectioloog dr. P.H.P. Groeneveld) die appellante kort
tevoren in de Isala-kliniek te Zwolle hebben behandeld.
Van der Boog is vervolgens in zijn rapport van 29 juni 2001 weliswaar
gekomen tot de conclusie dat duurzaam benutbare mogelijkheden ontbreken,
maar heeft - zoals hiervoor is aangegeven - aan die conclusie niet ook
beperkingen wat de rug van appellante betreft ten grondslag gelegd.
De verzekeringsarts Van der Storm heeft op 11 januari 2002 in de
dossierstukken geen aanleiding gevonden om te komen tot een andere
conclusie dan Van der Boog, terwijl daarna op 10 september 2002
bezwaarverzekeringsarts Hofmans daartoe evenmin aanleiding heeft
gevonden.
Appellante heeft haar andersluidende standpunt niet onderbouwd door
overlegging van een - op de datum thans in geding toegespitste -
verklaring van een of meer van de artsen die haar in verband met haar
rugklachten hebben behandeld dan wel van enige andere arts. Wel heeft
appellante erop gewezen dat aan haar in verband met haar rugklachten op
medische gronden in de loop der jaren door andere instanties diverse
voorzieningen zijn toegekend, zoals in 1994 aanpassingen van haar woning
en in februari 2002 een scootmobiel alsook later tevens een rolstoel.
Die voorzieningen zijn evenwel aan haar verstrekt op grond van een of
meer andere wettelijke regelingen in het kader waarvan door andere
instanties andere toetsingscriteria worden gehanteerd, zodat - nog
daargelaten dat de scootmobiel en de rolstoel aan haar zijn verstrekt ná
de datum thans in geding - daaraan niet zonder meer de betekenis kan
worden toegekend die appellante daaraan in het kader van de WAO hecht en
door gedaagde, de rechtbank en/of de Raad gehecht wil zien. Wat de
aanpassingen van de woning van appellante in 1994 betreft ligt slechts
een van 31 oktober 1994 daterend, aan de gemeente Zwolle gericht advies
van een aan het ziekenhuis/verpleeghuis De Weezenlanden verbonden
ergotherapeute voor, maar daarvan kan niet worden staande gehouden dat
het om een door een arts afgegeven medische verklaring gaat, zodat
daaraan in het kader van de WAO reeds daarom geen doorslaggevende
betekenis kan worden toegekend.
Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep.
Voorts in aanmerking genomen dat er geen aanleiding bestaat tot een
proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene
wet bestuursrecht, beslist de Raad als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.
Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 november
2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
|
|