|
Uitspraak
03/3866 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. R.H.M.Ch. Libotte, advocaat te Maastricht,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht
van 9 juli 2003, nummer 2002/1421.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Voorts heeft gedaagde
nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 oktober 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouwe mr.
F.Y. Gans, juridisch medewerkster van mr. Libotte en waar namens
gedaagde is verschenen F.P.L. Smeets, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door
partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij
zijn oordeelsvorming.
De Raad volstaat hier met het volgende.
Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluiten van 21 januari 2002
heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat over de maanden januari,
februari en maart 2000 een korting op de uitbetaling van zijn uitkering
wordt toegepast in verband met zijn inkomsten uit arbeid over die
maanden. Tegen die besluiten heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
Vervolgens heeft gedaagde drie besluiten genomen.
1. Bij besluit van 19 februari 2002 heeft gedaagde de aan appellant over
de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 maart 2000 te veel betaalde
uitkering teruggevorderd.
2. Bij besluit van 8 maart 2002 heeft gedaagde appellant een boete
opgelegd van € 231,00 wegens het niet nakomen van de
mededelingsverplichting over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31
maart 2000.
3. Bij besluit van 8 april 2002 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat
de uitkering met ingang van 12 mei 2002 wordt gewijzigd en berekend naar
een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
Bij zijn besluit van 12 augustus 2002, hierna: het bestreden besluit,
heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19
februari 2002 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen de
besluiten van 8 maart 2002 en 8 april 2002 ongegrond verklaard.
Het beroep van appellant tegen het bestreden besluit is door de
rechtbank in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank
heeft onder meer overwogen dat vóór noch na het einde van de
bezwaartermijn schriftelijk bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 19
februari 2002 en dat de brief van 8 maart 2002 van de gemachtigde van
appellant niet kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Ten aanzien
van de boete heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het rapport van 6 augustus 2002 van de bezwaarverzekeringsarts Van der
Kooij, overwogen
dat niet is gebleken van verminderde verwijtbaarheid van appellant bij
het niet nakomen van zijn mededelingsverplichting als bedoeld in artikel
80 van de WAO. Met betrekking tot de herziening van de uitkering per 12
mei 2002 was de rechtbank blijkens de aangevallen uitspraak van oordeel
dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het
standpunt van gedaagde inzake appellants medische beperkingen en
resterende arbeidsmogelijkheden.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant zijn stellingen
herhaald en daar aan toegevoegd dat gedaagde bewust de brief van 8 maart
2002 anders heeft uitgelegd dan is bedoeld, dat appellant zich er niet
bewust van was dat hij zijn werkzaamheden moest melden en dat hem op
grond van sociaal-economische omstandigheden geen verwijt kan worden
gemaakt van overtreding van de mededelingenverplichting en voorts dat
appellant, gelet op de te vrezen zeer hoge uitval wegens ziekte, de
geduide functies niet op een reële wijze kan verrichten.
De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel
te komen dan het hiervoor weergegeven oordeel in de aangevallen
uitspraak van de rechtbank en kan zich verenigen met de gronden waarop
dat berust.
Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de
Raad dat van de gemachtigde van appellant als professioneel
rechtshulpverlener mag worden verwacht dat hij in duidelijke termen
weergeeft wat zijn bedoeling is. Wanneer een brief is bedoeld als een
bezwaarschrift zullen daarin de gronden van het bezwaar moeten zijn
opgenomen dan wel zal formeel bezwaar moeten worden gemaakt teneinde de
termijn te sauveren.
Evenmin als de rechtbank ziet de Raad in hetgeen omtrent de
omstandigheden van appellant naar voren is gebracht aanleiding om tot
het oordeel te komen dat sprake is van geen of verminderde
verwijtbaarheid ten aanzien van het overtreden van de
mededelingenverplichting. Appellant had als uitkeringsgerechtigde op de
hoogte moeten zijn van zijn verplichtingen en zijn werkzaamheden en
inkomsten moeten melden bij gedaagde.
Met betrekking tot hetgeen door de gemachtigde van appellant is gesteld
omtrent de mogelijkheden van appellant om duurzaam arbeid te verrichten
wijst de Raad erop dat de verzekeringsarts inlichtingen heeft ingewonnen
bij de behandelend sector en om energetische redenen een urenbeperking
met regelmatige werktijden aangewezen heeft geacht. De grief van de
gemachtigde van appellant dat desondanks een ziekteverzuim moet worden
verwacht dat het normale verzuim te boven gaat is niet nader onderbouwd
en kan om die reden niet slagen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Daarom moet als volgt worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.P.M. van de
Kerkhof en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagedoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29
november 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|