|
Uitspraak
03/5714 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van
een door de rechtbank Arnhem op 10 november 2003 tussen partijen gegeven
uitspraak (02/1664 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft de Raad nog stukken doen toekomen.
Desgevraagd heeft gedaagde de Raad een nader uitgebracht arbeidskundig
rapport d.d. 4 maart 2005 doen toekomen, waarop appellant bij brief van
14 maart 2005 heeft gereageerd, en aanvullend nog een stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 2 november 2005, waar appellant
is verschenen bij gemachtigde mr. R.G.H. de Glas, advocaat te Nijmegen,
en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.H. Nuijens,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
II. MOTIVERING
Appellant, die werkzaam is geweest als constructiebankwerker, heeft zich
per 27 februari 2001 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de
Werkloosheidswet bij gedaagde ziek gemeld wegens rugklachten. Naar
aanleiding hiervan heeft appellant, na tussentijdse hersteldverklaringen
en nieuwe ziekmeldingen, over de maximale uitkeringstermijn, welke op 25
februari 2002 afliep, uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen.
Op 20 december 2001 is appellant, met het oog op de beoordeling van een
aanspraak op uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), gezien door een
verzekeringsarts. Deze stelde op grond van zijn bevindingen bij
onderzoek en mede op grond van reeds beschikbare informatie van de
behandelend neuroloog vast dat appellant wegens rug- en knieklachten was
aangewezen op rug- en kniesparend werk. Naar blijkt uit het ter zake
opgestelde rapport van 24 december 2001 dienden daarbij zitten, staan en lopen liefst
afwisselend plaats te vinden en langdurig gedwongen houdingen of standen
vermeden te worden. Een en ander is neergelegd in een zogenaamde
Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Met inachtneming hiervan heeft
een arbeidsdeskundige voor appellant functies geselecteerd, waarmee hij
een zodanig inkomen kon verdienen dat sprake was van een verlies aan
verdiencapaciteit van 23,74%.
Bij besluit van 26 februari 2002 is aan appellant dienovereenkomstig met
ingang van 26 februari 2002 een uitkering ingevolge de WAO toegekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
In de bezwaarfase is appellant gehoord door bezwaarverzekeringsarts S.
Gommers. Deze heeft gelet op de medische gegevens in het dossier en mede
op grond van door appellant op de hoorzitting overgelegde informatie van
de St. Maartenskliniek te Nijmegen geconcludeerd dat de primaire
verzekeringsarts was uitgegaan van de juiste diagnostische gegevens en
dat er geen reden was om van diens standpunt af te wijken.
Bij besluit van 4 juli 2002 (het bestreden besluit) is het bezwaar
ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft gelet op de rapporten van de betrokken
verzekeringsartsen geen reden gezien voor twijfel aan de medische
grondslag van het bestreden besluit en heeft daarbij in aanmerking
genomen dat deze verzekeringsartsen bij hun rapportage rekening hebben
gehouden met gegevens van de behandelend sector. De rechtbank heeft zich
echter niet kunnen verenigen met de arbeidskundige grondslag van dit
besluit, omdat uit een op 16 oktober 2003 uitgebracht arbeidskundig
rapport bleek dat appellant bij nadere berekening diende te worden
ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Onder
vernietiging van het bestreden besluit heeft de rechtbank vervolgens
zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de mate van
arbeidsongeschiktheid per 26 februari 2002 diende te worden vastgesteld
op 25 tot 35%.
De Raad overweegt als volgt.
De in dit geding aan de orde zijnde schatting is uitgevoerd met behulp
van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). In zijn uitspraken
van 9 november 2004, LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en
AR4722, heeft de Raad overwogen dat hem niet gebleken is van redenen om
een systeem als het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te
achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo
ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de
arbeidsongeschiktheidswetten. De Raad heeft voorts overwogen dat vanwege
de hem gebleken onvolkomenheden van het CBBS uiterlijk bij het besluit
op bezwaar de schatting dient te zijn voorzien van een zodanig
deugdelijke toelichting en motivering, dat op grond daarvan voldoende
inzicht wordt geboden in, en een voldoende mogelijkheid tot toetsing
wordt verschaft van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige
grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting berust. In reeds
lopende zaken, waarin aan laatstvermelde eis niet is voldaan, dient het
bestreden besluit in beginsel vernietigd te worden. Indien het Uwv het
besluit in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep
alsnog voorziet van de ontbrekende toelichting, onderbouwing en/of
motivering, kan er aanleiding zijn de rechtsgevolgen van het vernietigde
besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten.
De Raad stelt vast dat uit de Functionele Mogelijkheden Lijst kan worden
opgemaakt dat er beperkingen zijn op enkele niet-matchende punten. Een
nadere rapportage over deze niet-matchende punten is niet eerder in
geding gekomen dan in hoger beroep.
Dit betekent dat, gelet op de hiervoor genoemde uitspraken van de Raad
van 9 november 2004, de door de rechtbank uitgesproken vernietiging van
het bestreden besluit in stand kan worden gelaten.
Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de
Raad nog dat hij geen aanleiding heeft gevonden om de medische grondslag
van het bestreden besluit niet juist te achten. De Raad kan zich vinden
in de overwegingen van de rechtbank op dit punt en verenigt zich
daarmee. De in hoger beroep overgelegde brieven van de behandelend
sector bevatten geen gegevens die reden vormen voor een andersluidend
oordeel.
Het in hoger beroep overgelegde arbeidskundige rapport van 4 maart 2005
maakt naar het oordeel van de Raad verder voldoende inzichtelijk dat en
waarom de voor appellant geselecteerde functies door hem kunnen worden
vervuld. Bij alle functies kan in voldoende mate worden vertreden en
behoeft niet continu in een gefixeerde houding te worden gewerkt. De
Raad onderschrijft verder ook de overweging van de rechtbank, dat deze
functies wat betreft het niveau voor appellant, die in het bezit is van
een LTS-diploma, passend zijn. Gelet op voormeld arbeidskundig rapport
van 16 oktober 2003 heeft de rechtbank verder terecht vastgesteld dat
appellant voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als
bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid
van J.P. Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7
december 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.P. Mulder.
|
|