|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/3328 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, op
bij aanvullend beroepschrift, met bijlage, aangevoerde gronden, hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 25 juni 2003
tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. WAO 02/2003), waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend.
Mr. De Jonge heeft gereageerd op het verweerschrift en desgevraagd
antwoord gegeven op enkele vragen van de Raad.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 november 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge,
voornoemd, en waar namens gedaagde, met voorafgaand bericht, niemand is
verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft bij besluit van 18 januari 2002 de uitkering ingevolge de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant met
ingang van 11 maart 2002 verlaagd naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Bij persoonlijk afgegeven brief van 4 maart 2002 heeft namens appellant
G. van Gorp, werkzaam als vrijwilliger bij Stichting OSAR, een kopie van
een eerder ingediend bezwaarschrift ten behoeve van appellant doen
toekomen.
Bij besluit van 26 juli 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant
ongegrond verklaard.
Gedaagde heeft bij brief van 22 november 2002 in antwoord op een vraag
van de rechtbank gesteld dat zij niet meer kunnen nagaan wanneer het
bezwaarschrift van 21 januari 2002 is ontvangen en dat zij daarom er vanuit gaan dat het
bezwaarschrift tijdig is ontvangen.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
De Raad overweegt als volgt.
In de eerste plaats zal de Raad ambtshalve een oordeel moeten geven over
de vraag of het bezwaarschrift tijdig is ingediend en zo niet, of er
sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Onder de gedingstukken bevindt zich één exemplaar van het
bezwaarschrift van 21 januari 2002. Op dit exemplaar bevindt zich geen stempel of
aantekening van de dag waarop het bezwaarschrift is binnengekomen.
Vaststaat dat met de brief van 4 maart 2002 een kopie van het bezwaarschrift van 21 januari 2002 is
afgegeven. Op 4 maart 2002 is ook een bevestiging aan appellant gezonden dat op 4
maart 2002 het bezwaarschrift van 21 januari 2002 is ontvangen. Van een
eerdere ontvangst van het bezwaarschrift van 21 januari 2002 is niet
gebleken. Kennelijk sluit gedaagde blijkens zijn brief van 22 november
2002 niet uit dat het bezwaarschrift toch eerder is ontvangen, maar voor
dat standpunt is geen enkele steun in het dossier te vinden. De
gemachtigde van appellant heeft gewezen op een brief van gedaagde van 28
maart 2002, waaruit zou blijken dat het bezwaarschrift op 21 januari
2002 is ingediend. Uit de brief van 28 maart 2002 valt een dergelijk bewijs naar het oordeel van de Raad
niet op te maken. Het betreft hier een wat slordig geredigeerd briefje
van een medewerker van de afdeling bezwaar, aan welke afdeling het op 4
maart 2002 ingediende bezwaarschrift van 21 januari 2002 is toegezonden. Blijkens de daarna volgende brief van de
afdeling bezwaar van 15 april 2002 gaat het hier wel degelijk om het op
4 maart 2002 ingediende bezwaarschrift.
Nu een eerdere ontvangst van het op 4 maart 2002 ingediende
bezwaarschrift is betwist, dient appellant aan te tonen dat hij het
bezwaarschrift wel tijdig heeft ingediend. De gemachtigde van appellant
heeft in dit verband in haar brief van 17 mei 2005 gesteld dat zij geen
contact meer heeft weten te krijgen met de heer Van Gorp, maar dat zij
uit de brief van gedaagde van 28 maart 2002 meent te kunnen opmaken dat
het bezwaarschrift van 21 januari 2002 op diezelfde dag door appellant
kennelijk persoonlijk is ingediend en dat zij dat nog zal navragen bij
haar cliënt. Zij ziet tevens in de brief van Van Gorp van 4 maart 2002 een bevestiging dat appellant de brief zelf in de bus van
gedaagde heeft gedaan. Met haar brief van 7 september 2005 heeft de
gemachtigde van appellant een verklaring van appellant toegezonden
waarin hij het volgende verklaart:
"Hierbij de bevestiging van mijn bezwaar van 21-2-2002 ...persoonlijk
op de bus gedaan bij SFB op 18-1-2002."
De Raad merkt op dat de verklaring van appellant dat hij zelf het
bezwaarschrift in de bus van het SFB heeft gedaan slechts een mededeling
is van de wijze waarop het bezwaarschrift zou zijn ingediend. Deze
stelling had appellant dienen te bewijzen. Daarin is appellant niet
geslaagd. De Raad heeft eerder overwogen dat uit de brief van gedaagde
van 28 maart 2002 niet kan worden opgemaakt dat op 21 januari 2002 een
bezwaarschrift is ingediend. Derhalve kan daaruit ook niet worden
opgemaakt dat appellant het bezwaarschrift persoonlijk heeft ingediend.
Evenmin kan de Raad in de brief van Van Gorp van 4 maart 2002 een
bevestiging zien van de stelling dat appellant op 21 januari 2002 zelf het bezwaarschrift in de bus van gedaagde heeft
gedaan. Integendeel, Van Gorp meldt dat “gevreesd moet worden dat
onderhavig bezwaarschrift is zoekgeraakt in het postverkeer...”.
Voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat appellant niet heeft
kunnen aantonen dat hij het bezwaarschrift binnen de bezwaartermijn
heeft ingediend. Het op 4 maart 2002 ingediende bezwaarschrift is na
afloop van de bezwaartermijn ingediend en er zijn geen omstandigheden
aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat deze
termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het bezwaar is dan ook
niet-ontvankelijk.
De aangevallen uitspraak kan niet in stand worden gelaten en de Raad zal
doen wat de rechtbank had behoren te doen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten
worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste
aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in
totaal € 1288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,-, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.C. Bruning in tegenwoordigheid van mr. A. van
Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 december 2005.
(get.) M.C. Bruning.
(get.) A. van Netten.
|
|