|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/9 WAO
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposante], wonende te [woonplaats], opposante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens opposante heeft mr. J.W.F. Menick, advocaat te Amsterdam, hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 24 november
2004 (reg.nr. AWB 03/2503 WAO) tussen partijen gegeven uitspraak.
Bij uitspraak van 10 mei 2005 heeft de Raad het hoger beroep
niet-ontvankelijk verklaard omdat opposante het griffierecht niet tijdig
heeft voldaan en op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs
niet kan worden geoordeeld dat opposante niet in verzuim is geweest.
Tegen deze uitspraak is verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 2 november 2005, waar partijen - zoals tevoren was
bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 22, tweede lid, onder a, van de Beroepswet (Bw) is de
indiener van een beroepschrift een griffierecht verschuldigd van €
102,--.
De gemachtigde van opposante is op de verschuldigdheid daarvan door de
griffier gewezen bij brieven van 26 januari 2005 en 16 februari 2005.
Bij laatstgenoemde aangetekend verzonden brief is de gemachtigde van
opposante meegedeeld dat het verschuldigde recht binnen vier weken dient
te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan
wel ter griffie te zijn gestort en dat bij overschrijding van de
genoemde termijn ermee rekening moet worden gehouden dat het hoger
beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Het griffierecht is op 29 maart 2005, derhalve na ommekomst van de
hiervoor gestelde termijn, op de rekening van de Raad bijgeschreven.
Gelet op het bepaalde in artikel 22, vierde lid, van de Bw wordt, indien
het griffierecht niet tijdig is bijgeschreven of gestort, het hoger
beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan
worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is
geweest.
Door de gemachtigde van opposante is in verzet niets aangevoerd op basis
waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposante niet in
verzuim is geweest.
De Raad is niet gebleken van enige omstandigheid waardoor opposante niet
in staat zou zijn geweest het griffierecht tijdig te voldoen.
Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21
van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Awb ongegrond te
worden verklaard. Gelet op artikel 8:55, zesde lid, van de Awb blijft de
uitspraak van de Raad van 10 mei 2005 derhalve in stand.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van mr. A. van
Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 december 2005.
(get.) M.C. Bruning.
(get.) A. van Netten.
|
|