|
Uitspraak
04/3195 WAO en 04/3196 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Spanje), appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te
Amsterdam, op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep
gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2004,
nrs. 04/383 WAO en 04/1249 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 oktober 2005, waar
voor appellante is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn voornoemd,
terwijl voor gedaagde is verschenen mr. F.W.M. Keunen, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellante is bij besluit van 26 februari 1997 - onder meer - een
uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 80 tot 100%. Op haar verzoek is aan appellante bij brief van 26
januari 2001 toestemming verleend om met behoud van uitkering naar
Spanje terug te keren. Daaropvolgend heeft appellante zich in Spanje
gevestigd.
Bij uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 juni 2003 is appellante
veroordeeld aan de Finata Bank N.V., gevestigd te Utrecht, een bedrag
30.537,55 te betalen vermeerderd met de overeengekomen rente van
10,33% per jaar over 28.755,30 vanaf 27 januari 2003 tot aan de dag
der voldoening. De vordering tot veroordeling van appellante in de
buitengerechtelijke (incasso)kosten ad 5.132,83 is door de rechtbank
afgewezen.
Op 15 oktober 2003 is onder gedaagde executoriaal derdenbeslag gelegd op
- onder meer - appellantes inkomsten uit de WAO-uitkering, zulks ter
verzekering en om betaling te verkrijgen van al hetgeen appellante aan
de Finata Bank N.V. verschuldigd is of zal worden, te weten de hoofdsom
van 30.537,55, de rente over de hoofdsom, de geliquideerde
proceskosten ad 1.408,55 en de onderhavige betekenings- en andere
bijkomende kosten ter hoogte van in totaal 600,52.
Bij besluit van 16 oktober 2003 heeft gedaagde aan appellante laten
weten dat op haar uitkering beslag is gelegd. Gedaagde merkt op dat hij
verplicht is om gevolg te geven aan de beslaglegging en dat met ingang
van 1 november 2003 een totaalbedrag van 35.670,38 moet worden
ingehouden op appellantes uitkering. Daaraan wordt toegevoegd dat door
gedaagde het gehele bedrag aan uitkering moet worden ingehouden en
afgedragen aan de beslaglegger. In artikel 475e van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is namelijk bepaald dat er geen
beslagvrije voet geldt voor vorderingen van een schuldenaar die niet in
Nederland woont of verblijft. Appellante kan, aldus gedaagde, de
bevoegde kantonrechter in Nederland verzoeken om een beslagvrije voet
vast te stellen. Na voldoening van het bedrag van 35.670,38 zal de
beslaglegger de rente en overige kosten berekenen. Dit bedrag moet dan
ook nog worden ingehouden en afgedragen.
Bij besluit van 18 december 2003 heeft gedaagde het bezwaar van
appellante tegen het besluit van 16 oktober 2003 ongegrond verklaard.
In beroep is namens appellante naar voren gebracht dat het feit dat
gedaagde weigert jegens appellante rekening te houden met de beslagvrije
voet strijd oplevert met artikel 10 van verordening (EEG) nr. 1408/71
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende
toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en
zelfstandigen, alsmede hun gezinsleden, die zich in de Gemeenschap
verplaatsen (hierna: verordening 1408/71). Ter zitting is namens
appellante nog betoogd dat ingevolge artikel 39 van het EG-verdrag
appellante niet anders behandeld mag worden op de grond dat zij zich in
een grensoverschrijdende situatie bevindt.
Verwezen wordt naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) van 19 juni 2003, Pasquini, RSV
2003/210.
Betoogd wordt verder dat de verplichting om nationale wetgeving die in
strijd is met het gemeenschapsrecht buiten toepassing te laten niet
alleen rust op de rechter maar op alle overheidsorganen inclusief
bestuursorganen. Dit houdt eventueel de verplichting in alle maatregelen
te nemen om de volledige doorwerking van het gemeenschapsrecht te
vergemakkelijken (HvJ EG van 9 september 2003, JB 2004/113). Opgemerkt
wordt verder dat de bestuursrechter wordt benaderd vanwege het feit dat
het hier gaat om een uitkering en de bezwaren zijn gebaseerd op het
Europese sociale verzekeringsrecht. Appellante heeft de keuze de
bestuursrechter te adi๋ren dan wel de kantonrechter dan wel de
(civiele) president, aldus de gemachtigde.
De rechtbank heeft geoordeeld dat ingevolge vaste rechtspraak de (bestuurs)rechter
bij de beoordeling van een betalingsbeslissing als hier aan de orde (de
geldigheid van het) gelegde beslag als een gegeven dient te beschouwen.
Zijn toetsing kan derhalve niet verder strekken dan het beantwoorden van
de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van de betalingsbeslissing
is gebleven binnen het kader van het beslag. Gelet op het bepaalde in
artikel 477, eerste lid, van Rv heeft gedaagde zich in het bestreden
besluit terecht op het standpunt gesteld dat hij gehouden is medewerking
te verlenen aan het beslag en dat het niet op zijn weg ligt de
geldigheid van dit door de deurwaarder gelegde beslag, evenals de hoogte
van de daarbij door de deurwaarder bepaalde beslagvrije voet, te
beoordelen. Dit is voorbehouden aan de burgerlijke rechter. Het is
derhalve evenmin aan de (bestuurs)rechter om de juistheid van de door de
deurwaarder bij het beslag bepaalde beslagvrije voet te beoordelen. Aan
de vraag of de hoogte van de beslagvrije voet in strijd is met het
bepaalde in artikel 10 van verordening 1408/71 komt de (bestuurs)rechter
daarom niet toe. Nu gesteld noch gebleken is dat gedaagde anderszins met
het bestreden besluit buiten het kader van het beslag is getreden, is
het beroep tegen dat besluit ongegrond.
In hoger beroep is namens appellante nog betoogd dat het bestreden
besluit in strijd is met de artikelen 17 en 18 van het EG-verdrag
betrekking hebbende op het burgerschap van de Unie. Voor het overige
hebben partijen in essentie hun in eerste aanleg ingenomen standpunten
herhaald.
De Raad oordeelt als volgt.
Vaste rechtspraak van de Raad is dat bij een besluit als hier aan de
orde, waarbij aan de uitkeringsgerechtigde mededeling wordt gedaan van
een op zijn uitkering gelegd derdenbeslag, de beslagdebiteur (in casu
appellante) bezwaren betreffende het gelegde beslag ingevolge artikel
438 Rv kan voorleggen aan de civiele rechter en dat de derdebeslagene
(gedaagde) gehouden is volledige medewerking aan het beslag te geven
zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. De Raad
heeft daaraan toegevoegd dat ook de bestuursrechter bij de beoordeling
van een betalingsbeslissing ter uitvoering van een gelegd beslag (de
geldigheid) daarvan als een gegeven dient te beschouwen en dat zijn
toetsing niet verder kan strekken dan de beantwoording van de vraag of
het bestuursorgaan bij het nemen van de betalingsbeslissing gebleven is
binnen het kader van het beslag (zie onder andere CRvB 31 juli 2002, JB
2002/288).
In het onderhavige geval is toepassing gegeven aan artikel 475e Rv,
welke bepaling inhoudt dat geen beslagvrije voet geldt voor vorderingen
van een schuldenaar die niet in Nederland woont of vast verblijft. Onder
de in deze bepaling genoemde omstandigheden kan de kantonrechter op
verzoek van de betrokkene een beslagvrije voet vaststellen. Namens
appellante is onder meer betoogd dat deze bepaling een ongerechtvaardigd
onderscheid naar woonplaats inhoudt en uit dien hoofde jegens appellante
- als EG-onderdaan - buiten toepassing dient te blijven.
Alvorens aan de inhoudelijke bezwaren van appellante te kunnen toekomen
zal de Raad de vraag moeten beantwoorden of hij, in een geval als het
onderhavige, ongeacht de regeling in artikel 438 Rv, waarin de
burgerlijke rechter is aangewezen als de bevoegde rechter in
executiegeschillen en in afwijking van zijn hiervoor kort beschreven
rechtspraak, bevoegd is een inhoudelijk oordeel te geven over de aan het
EG-recht ontleende grieven van appellante.
De Raad stelt voorop dat de inrichting van het procesrecht, ๓๓k waar
het gaat om de handhaving van rechten verleend door het
gemeenschapsrecht, tenzij het gemeenschapsrecht zelf een regeling geeft,
een zaak is van de lidstaten. Voorzover het gemeenschapsrecht niet
anders bepaalt is het nationale (proces)recht van toepassing.
Wel vereist het gemeenschapsrecht, in een situatie als de onderhavige,
dat de procedureregels die de regeling van deze situatie beheersen de
beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid eerbiedigen.
Bij een derdenbeslag als hier aan de orde geldt voor alle betrokkenen -
ongeacht waar zij hun woon- of verblijfplaats hebben - dat gedaagde noch
de bestuursrechter bevoegd is om een inhoudelijk oordeel te geven over
het gelegde derdenbeslag. Dat oordeel komt ingevolge de regeling in Rv
toe aan de burgerlijke rechter. Die regeling komt in zoverre dan ook
niet in strijd met het gelijkwaardigheidsbeginsel.
De vraag is vervolgens of de regeling in Rv de uitoefening van de door
het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk
of uiterst moeilijk maakt. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden
gezegd dat de rechtsgang naar de burgerlijke rechter - ook al gaat het
geschil over de uitbetaling van aan de sociale zekerheidswetgeving te
ontlenen rechten - de uitoefening van de namens appellante naar voren
gebrachte - aan het gemeenschapsrecht ontleende - rechten in de praktijk
onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. De Raad voegt daaraan toe dat de
rechtsbescherming bij de burgerlijke rechter ๓๓k effectief is in die
zin dat die rechter, indien hij de grieven van appellante gegrond acht,
de rechten die zij meent te kunnen ontlenen aan het gemeenschapsrecht -
in casu de aanspraak op een beslagvrije voet - zal kunnen honoreren.
De Raad concludeert dat hij zich - ๓๓k in dit geval - zal dienen te
beperken tot de beantwoording van de vraag of gedaagde bij het nemen van
de betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag.
Dienaangaande merkt de Raad op - ter zitting van de Raad is dit aan de
orde gesteld door de gemachtigde van gedaagde - dat het bedrag genoemd
in het bestreden besluit - 35.670,38 - niet overeenstemt met de bedragen toegewezen bij de
uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 juni 2003 en het gelegde
beslag. Het in het bestreden besluit opgenomen bedrag komt overeen met
de door de rechtbank toegewezen hoofdsom plus de door de rechtbank juist
niet toegewezen betekeningskosten ad 5.132,83. De Raad moet
constateren dat gedaagde niet is gebleven binnen het kader van het
beslag, zodat het bestreden besluit, en de uitspraak van de rechtbank
waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking
komen.
De Raad acht gronden aanwezig om gedaagde met toepassing van het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten
van appellante, te weten 644,- in beroep en 644,- in hoger
beroep voor verleende rechtsbijstand.
Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en in
hoger beroep tot een bedrag van in totaal 1288,-, te betalen door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde griffierecht van 133,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. H.J. Simon
en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|