|
Uitspraak
03/3292 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 10 december 1999 heeft gedaagde aan [werknemer],
werknemer van appellante (werknemer), per 25 december 1999 een uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of
meer.
Bij besluit van 20 februari 2001 heeft gedaagde het bezwaar van
appellante tegen het besluit van 10 december 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 20 mei 2003
(kenmerk AWB 01/739 WAO) het door appellante ingestelde beroep tegen het
besluit van 20 februari 2001 ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft J.H.C. van Dongen, werkzaam bij de Metaalunie,
Nederlandse organisatie van ondernemers in het midden- en kleinbedrijf
in de metaal, op bij aanvullend beroepschrift van 5 augustus 2003
ingediende gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 november
2005, waar appellante is verschenen bij gemachtigde Van Dongen en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door G.A.G.T. Heijmans,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij - gelet op de
voortgeschreden jurisprudentie van de Raad - van de door haar in hoger
beroep ingediende gronden slechts handhaaft de gronden die zien op de in
het besluit van gedaagde van 20 februari 2001 neergelegde opvatting dat
de werknemer volledig arbeidsongeschikt is. Zowel deze opvatting, als de
wijze waarop deze opvatting is gemotiveerd, acht appellante onjuist.
Appellante heeft aangevoerd dat uit de medische stukken die aan het
besluit van gedaagde van 20 februari 2001 ten grondslag liggen niet,
althans in ieder geval niet zonder nadere motivering, kan worden
opgemaakt dat bij de werknemer sprake is van een zodanig onvermogen tot
persoonlijk en sociaal functioneren dat hij volledig ongeschikt is tot
het verrichten van werkzaamheden.
Appellante heeft erop gewezen dat uit een omtrent de werknemer
uitgebracht rapport van een psychologische expertise, gedateerd 30 juli
1999, blijkt dat de werknemer tot een aantal relevante activiteiten in
staat is.
De Raad overweegt als volgt.
Het besluit van gedaagde van 20 februari 2001 berust op een rapportage
van de verzekeringsarts J. Bakker van 6 december 1999.
De verzekeringsarts heeft aanleiding gezien om alvorens tot een
opvatting te komen over de medische situatie waarin de werknemer
verkeert, hem neuropsychologisch te doen onderzoeken. Dit onderzoek is
geschied door de psycholoog drs. J.E.E.A. Mulder en de neuropsycholoog
drs. W.E. Meeuwsen. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in
het hiervoor reeds genoemde rapport van 30 juli 1999. In dit rapport
wordt tot de conclusie gekomen dat er bij de werknemer sprake is van een
omvangrijke psychische problematiek.
De verzekeringsarts Bakker is op basis van dit onderzoek en eigen
onderzoek tot de opvatting gekomen dat bij de werknemer sprake is van
objectiveerbare psychische afwijkingen op grond waarvan er een indicatie
bestaat voor psychiatrische interventie, dat er sprake is van onvermogen
tot persoonlijk en sociaal functioneren en dat de werknemer per einde
wachttijd geen benutbare mogelijkheden heeft.
In hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd heeft de Raad
onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat
gedaagde zich bij zijn besluitvorming niet op de rapportage van de
verzekeringsarts had mogen baseren.
Appellant stelt weliswaar terecht dat uit de rapportage van de
verzekeringsarts en het aan die rapportage ten grondslag liggende
rapport van de psycholoog en neuropsycholoog zou kunnen worden opgemaakt
dat appellant in staat is tot het verrichten van activiteiten, zodat het
op het eerste gezicht minder voor de hand ligt dat sprake is van
onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren, maar niet uit het
oog mag worden verloren, dat de verzekeringsarts en de psycholoog alsook
de neuropsycholoog van opvatting zijn dat bij de werknemer sprake is van
een omvangrijke psychische problematiek.
Juist op basis van deze problematiek en de daaruit voortvloeiende
beperkingen acht de verzekeringsarts meerbedoeld onvermogen aanwezig.
Hoewel een wat ruimere motivering op het punt van het enerzijds kunnen
verrichten van activiteiten en het anderzijds aanwezig zijn van
meerbedoeld onvermogen in de rapportage van de verzekeringsarts niet had
misstaan, is er naar het oordeel van de Raad geen sprake van dat de
conclusie van die rapportage niet door de daaraan ten grondslag gelegde
overwegingen kan worden gedragen.
Evenmin is uit hetgeen appellant naar voren heeft gebracht kunnen
blijken dat de rapportage van de verzekeringsarts anderszins gebrekkig
of onjuist zou zijn.
Uit het vorenstaande volgt dat de door appellant ingebrachte gronden
niet tot het oordeel kunnen leiden dat de aangevallen uitspraak, waarbij
het beroep van appellante tegen het besluit van gedaagde van 20 februari
2001 ongegrond is verklaard, niet in stand zou kunnen blijven.
De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt dan ook als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W.
Ris-van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16
december 2005.
(get.) J.Janssen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
|
|