|
Uitspraak
03/3906
WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 10 december 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellant
een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) toe te kennen, onder overweging dat hij, na afloop van de
wettelijke wachttijd van 52 weken op 2 oktober 2000, minder dan 15%
arbeidsongeschikt was.
Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, tegen
dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 10 mei 2002 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 25 juni 2003, nummer AWB
02/442 WAO HOB, het beroep tegen het besluit van 10 mei 2002 (hierna:
het bestreden besluit) gegrond verklaard, het bestreden besluit
vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit
geheel in stand blijven. Voorts is gedaagde daarbij veroordeeld tot het
vergoeden van het door appellant betaalde griffierecht en de door hem
gemaakte proceskosten.
Namens appellant is mr. Van Asperen, voornoemd, van die uitspraak in
hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde enkele in het dossier ontbrekende stukken
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 november 2005,
waar - zoals tevoren was bericht - voor appellant niemand is verschenen
en waar namens gedaagde is verschenen W.R. Bos, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Namens appellant is in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit
onzorgvuldig is voorbereid. Gedaagde heeft in het kader van de
bezwaarschriftprocedure op 23 april 2002 een uitnodiging voor een
hoorzitting op 2 mei 2002 toegezonden.
Mr. Van Asperen, voornoemd, heeft verzocht om de hoorzitting uit te
stellen in verband met vakantie en een te korte voorbereidingstijd.
Gedaagde heeft dit verzoek afgewezen.
Volgens mr. Van Asperen is de termijn tussen de datum van de uitnodiging
en de datum van de hoorzitting, mede gelet op het bepaalde in artikel
7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onredelijk kort en is zijn
verzoek om uitstel ten onrechte afgewezen. Appellant is naar zijn mening
hierdoor benadeeld omdat er geen gelegenheid is geweest zijn standpunt
nader toe te lichten en eventueel nadere stukken in te dienen.
De rechtbank heeft bij haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als
eiser en gedaagde als verweerder, het beroep tegen het bestreden besluit
gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd op grond van de
hiernavolgende overwegingen:
"Krachtens het bepaalde in artikel 7:2, eerste lid, Awb dient
verweerder alvorens op een bezwaarschrift te beslissen de belanghebbende
in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Hiervan kan blijkens
artikel 7:3 Awb slechts worden afgezien indien het bezwaar kennelijk
niet-ontvankelijk of ongegrond is, indien de belanghebbende heeft
verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord
dan wel indien daardoor niet in hun belangen zijn geschaad.
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Awb moet het horen
als een essentieel onderdeel van de bezwarenprocedure worden beschouwd.
Het horen van een belanghebbende is van groot belang voor een
deugdelijke afhandeling van het bezwaar, zodat daar slechts bij
uitzondering van mag worden afgezien. Dit brengt met zich dat een
verzoek om uitstel onder omstandigheden aan de belanghebbende kan worden
verleend. Een dergelijk verzoek dient zorgvuldig te worden afgewogen.
Eiser heeft in zijn verzoek om uitstel onder meer aangegeven dat hij het
verzoek indient vanwege de korte voorbereidingstijd.
In artikel 7:2 Awb is niet bepaald welke termijn gelegen moet zijn
tussen oproeping en hoorzitting. Het spreekt evenwel voor zich dat die
termijn in elk geval van een zodanige duur dient te zijn dat een
belanghebbende in staat wordt gesteld zich daarop behoorlijk te kunnen
voorbereiden en ook dat hij of zijn gemachtigde persoonlijk bij het
horen aanwezig kan zijn. Daarbij geldt, gelet op het bepaalde in artikel
7:4 Awb, dat de minimale termijn tussen oproeping en horen in ieder
geval meer dan tien dagen bedraagt. Ter zitting is namens verweerder
naar voren gebracht dat verweerder het beleid hanteert zoals dat in
artikel 14 van het Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 2000 is
neergelegd. Krachtens die bepaling wordt in beginsel een minimale
termijn van veertien dagen gehanteerd.
Nu eiser binnen een termijn van tien dagen is opgeroepen en zich geen
van de voorziene uitzonderingsgevallen als bedoeld in artikel 7:3 Awb
hebben voorgedaan kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan
dat de door verweerder gevolgde procedure in strijd moet worden geacht
met het bepaalde in artikel 7:2 Awb en artikel 14 van voornoemd
Reglement.
Gelet op het voorgaande en mede in aanmerking genomen dat verweerder bij
het nemen van het hier aan de orde zijnde besluit een zekere
beoordelingsvrijheid heeft ziet de rechtbank geen aanleiding om met
toepassing van artikel 6:22 Awb voorbij te gaan aan de schending van
artikel 7:2 Awb."
De rechtbank heeft evenwel op grond van proceseconomische redenen
aanleiding gezien om met toepassing van het derde lid van artikel 8:72
van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit
geheel in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat
appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt uiteen te
zetten en nadere stukken in te dienen. Appellant heeft geen gebruik
gemaakt van de hem door de rechtbank geboden gelegenheid om zijn grieven
ten aanzien van de weigering van de WAO-uitkering nader te motiveren. De
rechtbank is tot de conclusie gekomen dat appellant op de in geding
zijnde datum niet meer of anders medisch beperkt is te achten dan
gedaagde heeft vastgesteld en dat hij met die beperkingen in staat moet
worden geacht om zijn eigen werk als afwashulp, dan wel een aantal door
de arbeidsdeskundige voor hem geselecteerde functies, te verrichten.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel
van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden
besluit moet worden vernietigd omdat gedaagde bij de uitnodiging voor de
hoorzitting een te korte termijn in acht heeft genomen. In de Awb is
hiervoor weliswaar geen termijn genoemd, maar uit het bepaalde in
artikel 7:4, eerste lid van de Awb, waarin is geregeld dat
belanghebbenden tot tien dagen voor het horen nadere stukken kunnen
indienen, volgt dat deze termijn in elk geval langer dan tien dagen moet
zijn. De uitnodiging voor de hoorzitting van 2 mei 2002 is eerst
verzonden op 23 april 2002. Duidelijk is dat de hiervoor genoemde
termijn niet in acht is genomen. Overigens heeft gedaagde ook niet
gehandeld in overeenstemming met zijn eigen beleid, dat inhoudt dat voor
de uitnodiging voor een hoorzitting een termijn van 14 dagen wordt
aangehouden, welk beleid naar ’s Raads oordeel op zichzelf een
rechtens aanvaardbare invulling inhoudt van de grenzen die door de wet
zijn getrokken.
Voorts onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand kunnen
blijven. De Raad heeft de gemachtigde van appellant nogmaals in de
gelegenheid gesteld om zijn stelling dat appellant niet in staat is om
te werken met medische gegevens te onderbouwen. De gemachtigde heeft
daarvan geen gebruik kunnen maken, onder meer omdat appellant inmiddels
het land is uitgezet en het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg
Hoogezand-Sappemeer, waar appellant onder behandeling is geweest, niet
bereid is om aan de gemachtigde van appellant informatie te verstrekken.
Naar het oordeel van de Raad is dit een omstandigheid die voor risico
van appellant moet blijven. Overigens heeft de Raad, evenmin als de
rechtbank, in de beschikbare medische gegevens aanknopingspunten
gevonden om aan te nemen dat de vastgestelde beperkingen zijn onderschat
of dat het laatstelijk verrichte eigen werk of de voorgehouden functies
niet in overeenstemming met die beperkingen zouden zijn.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van mr.
J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10
januari 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|