|
Uitspraak
03/5166 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. L. van Etten, advocaat te Arnhem, op bij
aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de door de rechtbank Arnhem onder dagtekening 1
september 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. 02/2537
WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 2 december 2003 van verweer gediend en
bij brief van 9 september 2005 desgevraagd een inlichting verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 december
2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van
Etten, voornoemd, als zijn raadsvrouw en O. Ilmi als tolk. Gedaagde
heeft zich laten vertegenwoordigen door A.C.M. van de Pol, werkzaam
bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant, in 1992 uit Somalië naar Nederland gekomen, heeft vanaf 1993
via een uitzendbureau diverse werkzaamheden verricht. Van 27 juli 2000
tot 30 september 2001 is appellant bij [naam werkgever] als
assembleerder van printeronderdelen in dienst geweest. Op 17 juli 2001
heeft appellant zijn werk wegens rugklachten gestaakt. Gedaagde heeft
bij besluit van 28 juni 2002 de aanvraag van appellant om toekenning van
een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) met ingang van 17 juli 2002 afgewezen, op de grond dat de mate van
de arbeidsongeschiktheid van appellant na ommekomst van de wettelijke
wachttijd van 52 weken minder dan 15% bedroeg. Bij het thans bestreden
op bezwaar genomen besluit van 14 oktober 2002 heeft gedaagde dit
besluit gehandhaafd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven
dat gelet op de aanwezige medische gegevens er geen aanleiding is te
twijfelen aan de juistheid van de door gedaagde (in navolging van de
betrokken verzekeringsartsen) vastgestelde belastbaarheid van appellant
en dat appellant in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die
in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde beperkingen. De
rechtbank heeft geen reden gezien om een onderzoek door een medisch
deskundige te gelasten. De in de door de arbeidsdeskundige geselecteerde
functies voorkomende belasting is naar het oordeel van de rechtbank met
die beperkingen in overeenstemming en de functies zijn ook overigens te
beschouwen als algemeen geaccepteerde arbeid waartoe appellant met zijn
krachten en bekwaamheden in staat is.
Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep bestreden. Daarbij heeft
appellant met betrekking tot de medische kant van de
arbeidsongeschiktheidsschatting in het bijzonder doen wijzen op de
gegevens afkomstig van A. Osman, arts te Recklinghausen (Duitsland), en
de in diens opdracht gemaakte röntgenfoto’s van zijn rug. Voorts is
namens appellant aangevoerd dat er voldoende reden is voor een
specialistisch onderzoek (naar de Raad begrijpt door een door de Raad
aangewezen deskundige), omdat de huisarts en behandelende specialisten
“geen hoogte van hem kunnen krijgen” en de bezwaarverzekeringsarts
de röntgenfoto’s (slechts) globaal heeft bekeken.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen reden is de door de
verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant ten tijde
hier in geding in twijfel te trekken. De in hoger beroep ingezonden
gegevens van de arts A. Osman met betrekking tot de aan appellant
voorgeschreven medicatie waren al aan de betrokken verzekeringsartsen,
naar aan hun rapporten van 18 juni 2002 en 7 oktober 2002 valt te
ontlenen, bekend, zodat zij daarmee rekening hebben kunnen houden.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door de
bezwaarverzekeringsarts gedane beoordeling van de röntgenfoto’s
onjuist is en dat (mede als gevolg daarvan) zijn belastbaarheid is
overschat.
Voorts heeft appellant aangevoerd het onbegrijpelijk te achten dat de
rechtbank van oordeel is dat hij zijn stelling dat hij beperkingen
ondervindt met betrekking tot zijn “persoonlijk”en “sociaal”
functioneren niet heeft onderbouwd. Dienaangaande heeft hij gewezen op
de aan de rechtbank bekende brief van 10 mei 2002 van de huisarts over
door hem ondergane fysieke en psychische marteling.
Daaromtrent overweegt de Raad dat hij aan de brief van 10 mei 2002 geen
aanwijzingen ontleent dat evenvermelde ervaringen het “persoonlijk”
en “sociaal” functioneren van appellant in voor de toepassing van de
WAO relevante mate hebben beperkt. De enkele vermelding van deze
ervaringen in de brief is daarvoor onvoldoende. Voor dit oordeel heeft
de Raad, zonder iets af te willen doen aan de ernst van de door
appellant doorstane ervaringen die voor hem reden waren zijn
geboorteland te ontvluchten, mede acht geslagen op de omstandigheid dat
appellant sedert 1993 in het arbeidsproces werkzaam is geweest en dat de
oorzaak van zijn uitval gelegen was in bij hem ontstane rugklachten.
Naar in het hiervoor overwogene ligt besloten ziet de Raad geen noodzaak
voor een onderzoek door een medisch deskundige. De Raad acht zich
voldoende voorgelicht over de medische situatie van appellant.
Met betrekking tot de arbeidskundige kant heeft appellant aangevoerd dat
hij analfabeet is en daarom geen functies kan vervullen waarin
beheersing van de Nederlandse taal een rol speelt en waarin als
opleiding enkele jaren basisonderwijs wordt gevraagd. Voorts heeft
appellant ter zitting evenals in eerste aanleg aangevoerd dat de
belasting in de functies zijn belastbaarheid overtreft.
De Raad verenigt zich, mede gelet op de in hoger beroep door gedaagde
bij brief van 9 september 2005 verstrekte toelichting, geheel met de
door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gegeven overwegingen en
maakt deze tot de zijne. De Raad voegt daar nog aan toe de
arbeidsdeskundige is uitgegaan van het laagst denkbare opleidingsniveau
van appellant en daarmee corresponderende functies heeft geselecteerd.
Gelet op de overgelegde beschrijvingen van die functies worden aan
opleiding en ervaring geen andere eisen gesteld dan enige jaren
basisonderwijs, behoudens in de functie van lederbewerker, waarin
vereist is dat Nederlands wordt gesproken en gelezen. De rechtbank heeft
evenwel met juistheid vastgesteld dat dit slechts geldt voor vier
arbeidsplaatsen in deze functie en dat, als deze buiten beschouwing
wordt gelaten, voldoende arbeidsplaatsen in deze functie resteren om de
schatting mede daarop te kunnen baseren.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, waarbij
het bestreden besluit in stand is gelaten, voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W.
Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.P. Mulder.
|
|