|
Uitspraak
03/6314 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt de Raad van
bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de
plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze
uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. A.P.L. Pinkster, advocaat te Amsterdam,
hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 10
november 2003 onder kenmerk AWB 02/1413 WAO tussen partijen gewezen
uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 januari 2006, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Pinkster,
voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.H.A.H. Smithuysen,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde, door partijen
niet bestreden, feiten.
Appellante heeft haar werk als parttime cateringmedewerkster met ingang
van 20 oktober 1999 wegens (overwegend) vermoeidheidsklachten gestaakt.
Bij het bestreden besluit van 20 juli 2001 heeft gedaagde ongegrond
verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 oktober
2000 waarbij is geweigerd haar na ommekomst van de wettelijke wachttijd
per 18 oktober 2000 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO),
omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij
onder meer overwogen, dat het vanwege gedaagde ingestelde medische
onderzoek niet onzorgvuldig is geweest en dat haar niet is gebleken dat
de voor appellante geldende, uit ziekte of gebrek voortvloeiende
arbeidsbeperkingen door gedaagde onjuist zijn vastgesteld. De rechtbank
heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de inlichtingen van de
appellante behandelende internist naar voren komt dat appellante lijdt
aan een chronische vermoeidheid van onduidelijke herkomst. Uit de
informatie van appellantes huisarts en de informatie van de behandelende
reumatoloog blijkt dat er geen lichamelijke oorzaak is gevonden voor de
door appellante beleefde pijnklachten. De appellante behandelende
psychiater heeft de geuite klachten gerangschikt als aanpassingsstoornis
met depressieve stemming waarvoor appellante een steunend en
structurerend gesprekscontact is aangeboden. De door die psychiater
verstrekte informatie biedt, aldus de rechtbank, evenmin objectivering
van de door appellante gestelde arbeidsbeperkingen. De rechtbank heeft
zodoende geen aanleiding gevonden om aan te nemen dat de voor appellante
ten tijde van belang geldende, uit ziekte of gebrek voortvloeiende
arbeidsbeperkingen door de verzekeringsarts(en) zijn onderschat. Hierbij
heeft de rechtbank omstandig uitgelegd en beklemtoond dat de subjectieve
beleving van appellante niet toereikend is om andere of verdergaande
arbeidsbeperkingen aan te nemen.
De Raad onderschrijft dit oordeel en deze overwegingen van de rechtbank.
Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding tot twijfel aan de
juistheid van het, aan het bestreden besluit ten grondslag liggende
verzekeringsgeneeskundige oordeel, zodat inschakeling van een deskundige
door de Raad niet geïndiceerd is te achten.
De door appellante in hoger beroep overgelegde stukken geven de Raad
geen aanleiding tot een ander oordeel. In dat verband merkt de Raad nog
op dat het (concept) behandelplan geen (relevante) andere informatie
bevat dan de reeds door de behandelende psychiater verstrekte
informatie. De verstrekking aan appellante van “Deur tot deur, samen
reizend vervoer” in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten
en de tijdelijke ontheffing van de sollicitatieverplichting op grond van
appellantes medische situatie in het kader van de Wet werk en bijstand
missen een kenbare medische onderbouwing. Afgezien daarvan kunnen de
criteria op basis waarvan die verstrekking en die ontheffing hebben
plaatsgevonden niet op één lijn worden gesteld met de criteria op
basis waarvan een besluit als thans aan de orde in het kader van de WAO
dient te worden genomen. Ook het behandelverslag van de fysiotherapeut,
waarin overigens valt te lezen dat appellante haar fysieke mogelijkheden
(langzaam) heeft weten te vergroten, geeft de Raad geen aanleiding tot
een ander oordeel.
Ter zitting heeft appellante nog zeer recente gegevens over een
onderzoek naar het ontstaan en bestaan van chronische vermoeidheid en
met name de betekenis van bepaalde in het ruggenmergvocht aangetroffen
proteïnes overlegd. Daargelaten dat die tardief zijn ingebracht, zijn
daaruit nog geen conclusies te trekken met betrekking tot de beperkingen
die appellante stelt per 8 oktober 2000 te hebben.
Het hoger beroep slaagt daarom niet en de aangevallen uitspraak komt
voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr.
J.E.M.J. Hetharie als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17
februari 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|