|
Uitspraak
03/6375 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 15 augustus 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard
appellants bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2002 waarbij aan
appellant als gerechtigde tot een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met toepassing van artikel 29a
van de WAO een boete van € 45,-- is opgelegd wegens schending van de
in artikel
80 van de WAO neergelegde plicht tot het verstrekken van inlichtingen
(het niet tijdig retourneren van het jaarinkomstenformulier 2001) binnen
twee jaren nadat aan hem eerder (bij brief van 4 mei 2001) een
waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van die
verplichting (het niet tijdig retourneren van het jaarinkomstenformulier
2000) is gegeven.
Bij uitspraak van 14 november 2003, kenmerk AWB 02/2374 WAO, heeft de
rechtbank ’s-Hertogenbosch appellants beroep tegen het besluit van 15
augustus 2002 ongegrond verklaard.
Tegen die uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld bij op in
zijn beroepschrift en zijn aanvullend beroepschrift (met bijlagen)
aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 januari 2006.
Appellant is niet verschenen. Voor gedaagde is verschenen E.H.J.H.
Olthof, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Aangezien de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden -
correct - zijn vermeld in de aangevallen uitspraak, verwijst de Raad
daarnaar.
De Raad neemt over de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak
gebezigde overwegingen welke zijn uitgemond in de conclusie dat
appellants beroep op het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid
niet kan slagen en gedaagde dus niet de bevoegdheid had om af te zien
van het opleggen van een boete. In hetgeen appellant in hoger beroep
heeft aangevoerd - in essentie een herhaling van hetgeen in eerste aanleg naar voren is
gebracht en door de rechtbank is verworpen - heeft de Raad geen
aanleiding gevonden om tot een andersluidend oordeel te komen.
Aangezien het hoger beroep niet slaagt en er geen aanleiding bestaat tot
een proceskostenveroordeling, beslist de Raad als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|