|
Uitspraak
02/6528 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 19 december 2000 heeft gedaagde de uitkering van
appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) per 8 december 2000 ongewijzigd vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
Namens appellant is tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 15 november 2001 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 13 november 2002, nummer
01/2079 WAO, het beroep tegen het besluit van 15 november 2001 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Namens appellant is P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te
Zoetermeer, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een in het
dossier ontbrekend stuk ingezonden.
Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden, waarop door gedaagde is
gereageerd.
Desgevraagd heeft P.R. Schiphof, neuroloog te Oss, onder dagtekening 22
november 2005 van verslag en advies gediend. Gedaagde heeft op dit
rapport een reactie gegeven.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 januari 2006, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door P.J. Reeser
voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. A.E.G. de Jong,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 8
december 2000, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen
ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming
van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de
door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de
loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen
met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde in
een verlies aan verdiencapaciteit van 65 tot 80%.
Appellant heeft aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat
hij de aan hem voorgehouden functies niet kan verrichten. Hij heeft
gesteld door zijn jarenlange werkzaamheden in een drukkerij, waarbij hij
aan oplosmiddelen is blootgesteld, een zogeheten Organo Psycho Syndroom
(OPS) te hebben opgelopen. Hij heeft te kampen met extreme
vermoeidheidsklachten, geheugenverlies en slaapstoornissen. Daarnaast
heeft hij nog tal van andere klachten, waaronder rugklachten en
psychische klachten.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten en het beroep
van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen
dat de verzekeringsartsen voldoende op de hoogte waren van de door
appellant aangegeven klachten. Ten aanzien van de rug zijn bij eerder
onderzoek geen afwijkingen geconstateerd. Met de psychische klachten is
naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden. De
bezwaarverzekeringsarts heeft het belastbaarheidspatroon dat volgens
de verzekeringsarts niet was gewijzigd ten opzichte van het in zijn
rapport van 24 februari 2000 beschreven patroon, op dat punt
aangescherpt door nog enkele psychische beperkingen toe te voegen. Uit
de informatie van de behandelend artsen van appellant heeft de rechtbank
afgeleid dat de vermoeidheidsklachten niet te verklaren zijn en dat het
vermoeden van OPS niet door geneeskundige bevindingen kan worden
bevestigd. Voorts zijn volgens de rechtbank ook de overige in beroep
genoemde klachten niet medisch onderbouwd. De bezwaararbeidsdeskundige
heeft naar aanleiding van het gewijzigde belastbaarheidspatroon de
arbeidsmogelijkhedenlijst aangepast. Voor de bepaling van de resterende
verdiencapaciteit van appellant zijn de functies monteur printplaten,
productiemedewerker kunststof en bediener stikautomaat schoeisel in
aanmerking genomen. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste
functie met het maatmaninkomen levert een verlies aan verdiencapaciteit
op van 72,6%. Naar het oordeel van de rechtbank is de mate van
arbeidsongeschiktheid die is berekend naar 65 tot 80% op de juiste wijze
vastgesteld.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel
van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, op grond van het navolgende,
bevestigend.
In hoger beroep zijn namens appellant nadere medische stukken
ingezonden. Dit betreft rapporten van de neuroloog C.J.W. van de Vlasakker en van de internist en Arts Natuurgeneeskunde
dr. H.F. Dankmeijer. Desgevraagd is door de bezwaarverzekerings-arts L.
Greveling op die rapporten gereageerd. De rapporten van Vlasakker en
Dankmeijer geven geen aanleiding om een ander standpunt in te nemen.
Voorts is namens appellant nog een brief ingezonden van de KNO-arts P.E.
Briët. De bezwaarverzekeringsarts Greveling heeft in reactie hierop
aangegeven dat het werken in een lawaaiige omgeving voor appellant niet
geschikt is en dat dit als beperking aan de eerder vastgestelde
belastbaarheid moet worden toegevoegd.
De Raad heeft aanleiding gezien om de neuroloog P.R. Schiphof te
benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Anders dan
Dankmeijer suggereert, is er volgens de deskundige Schiphof geen
toxicologische test beschikbaar waarbij na vele jaren nog een
intoxicatie door inademing van neurotoxische stoffen kan worden
aangetoond. Deze deskundige heeft aangegeven dat er bij appellant geen
objectiveerbare neurologische afwijkingen zijn vast te stellen. Ter
toelichting merkte Schiphof het volgende op:
"Bij chronische blootstelling aan neurotoxische schade kunnen
zowel vage als meer wel omschreven stoornissen ontstaan van het centrale
zenuwstelsel, evenals perifere neuropathieën. De perifere neuropathieën
zijn bij betrokkene zeker niet aanwezig gezien sensibiliteits- en
reflexpatroon. Centrale afwijkingen zijn bij betrokkene niet
vastgesteld."
Hij kan zich verenigen met de door de verzekeringsarts en de
bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen. Voorts is hij van
oordeel dat appellant op de datum in geding in staat was tot het
verrichten van de aan hem voorgehouden functies.
In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel
van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige
in beginsel pleegt te volgen.
Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in
dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.
De Raad merkt nog op dat aan de in een later stadium toegevoegde eis dat
appellant niet mag werken in een lawaaiige omgeving is voldaan. In de
aan appellant voorgehouden functies komt volgens de zogeheten
“verwoordingen functiebelasting” geen lawaai voor.
Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het
bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van T.S.G.
Staal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.S.G. Staal.
|
|