|
Uitspraak
03/5475 WAO en 04/5870 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellant heeft mr. S.J. Cats bij de Raad hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Assen op 25 september 2003, kenmerk 02/829 WAO, tussen partijen gegeven uitspraak
(hierna: uitspraak 1). Tevens heeft mr. Cats hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Assen op 21 september 2004, kenmerk 04/103
WAO, gegeven uitspraak (hierna: uitspraak 2). Deze beroepen zijn bij de
Raad bekend onder de kenmerken respectievelijk 03/5475 WAO en 04/5870
WAO.
Namens gedaagde is in beide procedures een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft in de procedure 03/5475 WAO op 21 september 2004 nadere
stukken ingezonden, alsmede een nader stuk bij brief van 6 december
2005.
Desgevraagd zijn namens gedaagde in deze procedure bij brief met
bijlagen van 27 oktober 2005 vragen van de Raad beantwoord.
Desgevraagd zijn namens gedaagde in de procedure 04/5870 WAO bij brief
van 14 februari 2005 vragen van de Raad beantwoord.
In deze procedures heeft appellant bij brief van 27 april 2005, met
bijlagen, nadere stukken in geding gebracht.
De gedingen zijn - gevoegd - behandeld ter zitting van de Raad,
gehouden op 11 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen,
bijgestaan door mr. Cats, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant is werkzaam geweest als consulent bij het, toenmalige,
arbeidsbureau te Groningen. Op 4 maart 1992 is hij voor dit werk
uitgevallen. Per 1 januari 1993 is eiser, met recht op wachtgeld,
ontslagen. De uitbetaling van het wachtgeld werd in verband met
uitbetaling van ziekengeld opgeschort tot 2 juni 1995, toen hij weer
arbeidsgeschikt werd verklaard. Tot 2 december 1997 heeft appellant daarna wachtgeld ontvangen. Hij heeft op
10 november 1998 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingediend.
Bij besluit van 18 juni 1999 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen,
welk besluit in de beslissing op bezwaar van 16 maart 2000 gehandhaafd is. De rechtbank Assen heeft bij uitspraak van
2 oktober 2001 het beroep tegen het besluit van 16 maart 2000 gegrond
verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank kende hierbij
doorslaggevende betekenis toe aan het rapport van de door haar
ingeschakelde deskundige D.W. Oppedijk, psychiater.
Gedaagde heeft in deze uitspraak berust en het besluit van 18 juni 1999
heroverwogen. Gedaagde is tot de conclusie gekomen dat appellant
ongeschikt is voor zijn eigen werk, maar wel in staat een aantal
functies te vervullen. Vergelijking van het mediane loon met het
maatmanloon laat een verlies aan verdiencapaciteit zien van 50,65%. Dit
betekent dat appellant bij het einde van de wachttijd, door gedaagde
vastgesteld op 1 januari 1997, ingedeeld diende te worden in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.
Bij besluit van 22 augustus 2002 - hierna: bestreden besluit 1 - heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 18 juni 1999 gegrond
verklaard en appellant met ingang van 1 januari 1997 een WAO-uitkering
toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot
55%. De uitkering is, gelet op de datum van aanvraag, betaalbaar gesteld
vanaf 11 november 1997.
Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij
uitspraak 1 ongegrond verklaard. In deze procedure heeft de rechtbank
wederom psychiater Oppedijk om advies gevraagd. Deze heeft aangegeven de
door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen bij benadering juist te
achten. Hierop heeft de rechtbank mede haar oordeel gebaseerd dat de
belastbaarheid van appellant juist is vastgesteld. De rechtbank is de
deskundige niet gevolgd in diens stelling dat een fulltime aanstelling
te fors voor appellant zou zijn. In de verschillende zich in het dossier
bevindende rapporten wordt een dagverhaal geschetst dat naar het oordeel
van de rechtbank niet is te verenigen met het aannemen van een
dergelijke beperking. Ook oordeelt de rechtbank dat de door appellant
gemelde rugklachten pas na 1 januari 1997 zijn opgekomen en derhalve in
dit geding geen rol kunnen spelen.
De door de arbeidsdeskundige aan de schatting ten grondslag gelegde
functies schadebeoordelaar (Fb-code 3931), medewerker champignonkwekerij
(Fb-code 6227) en helpende thuiszorg (Fb-code 5426) acht de rechtbank in
overeenstemming met de vastgestelde belastbaarheid.
In het hoger beroep tegen uitspraak 1 stelt appellant zich op het
standpunt dat zijn belastbaarheid onjuist is vastgesteld. Met name
beroept hij zich op de stelling van Oppedijk dat een fulltime
aanstelling te fors is voor hem en weerspreekt hij het oordeel van de
rechtbank dat zijn rugklachten na 1 januari 1997 zijn opgekomen.
Appellant stelt reeds vanaf 1992 rugklachten te hebben.
In het kader van de vijfdejaars herbeoordeling is appellant onderzocht
door verzekeringsarts M. Niemeijer. Deze is tot het oordeel gekomen dat
de belastbaarheid van appellant niet was gewijzigd. Niemeijer heeft een
Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld per 10 december 2002 en
daarin beperkingen opgenomen op het gebied van persoonlijk functioneren
en sociaal functioneren.
De arbeidsdeskundige C. Bulder heeft een zestal functies geselecteerd
die appellant met zijn beperkingen kan vervullen. Vergelijking van het
maatmaanloon met het mediane loon levert een verlies aan
verdiencapaciteit op van ruim 41%. Bij besluit van 13 maart 2003 is
appellant medegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid per 14 mei
2003 wordt vastgesteld op 35 tot 45%. In het besluit op bezwaar van 23
december 2003 - hierna: bestreden besluit 2 - is dit besluit
gehandhaafd.
In beroep heeft appellant opnieuw gewezen op de rapporten van Oppedijk
en diens mening dat appellant niet fulltime belast kan worden, alsmede
op zijn rugklachten. Hieruit moet, naar de mening van appellant, volgen
dat zijn beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Hij acht het tevens
onbegrijpelijk dat, hoewel de verzekeringsarts spreekt van dezelfde
medische toestand, de arbeidsongeschiktheidsklasse toch verlaagd is.
De rechtbank heeft, wat betreft de aangenomen psychische beperkingen, in
uitspraak 2 aansluiting gezocht bij haar oordeel hieromtrent in
uitspraak 1. De rugklachten zijn, naar het oordeel van de rechtbank,
niet medisch onderbouwd, zodat de verzekeringsarts terecht geen
lichamelijke beperkingen heeft aangenomen. De geduide functies
overschrijden de aangenomen psychische beperkingen niet, derhalve kan
het besluit stand houden.
In hoger beroep voert appellant in essentie dezelfde gronden aan als in
beroep.
De Raad oordeelt als volgt.
In de zaak 03/5475 WAO
De Raad verenigt zich in grote lijnen met het oordeel van de rechtbank
in uitspraak 1 en maakt dit tot het zijne. Ook de Raad is uit de in
geding gebrachte stukken niet gebleken dat de psychische beperkingen van
appellant door gedaagde zijn onderschat. De Raad is van oordeel dat de
door gedaagde aangenomen beperkingen voldoende recht doen aan het
gestelde omtrent de psychische toestand van appellant in de rapporten
van de deskundige Oppedijk. Evenmin is de Raad gebleken dat op de datum
hier in geding, te weten 1 januari 1997, bij appellant reeds sprake was
van rugklachten. Uit de stukken blijkt voldoende duidelijk dat appellant
hier eerst in latere jaren melding van heeft gemaakt.
Ook met betrekking tot de door appellant, refererend aan de rapporten
van Oppedijk, geclaimde urenbeperking dan wel algemene duurbeperking
volgt de Raad het oordeel van de rechtbank. Uit de in geding gebrachte
stukken heeft de Raad niet de overtuiging kunnen krijgen dat appellant
niet in staat zou zijn, ondanks zijn beperkingen, fulltime werkzaam te
zijn.
De aan de schatting ten grondslag gelegde functies blijven wat belasting
betreft, naar het oordeel van de Raad, binnen de voor appellant
aangenomen beperkingen en leiden, bij vergelijking van het maatmanloon
met het mediane loon, tot een indeling in de
arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.
Uitspraak 1 komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
In de zaak 04/5870 WAO
Met betrekking tot de vaststelling van de medische beperkingen van
appellant verwijst de Raad allereerst naar het hierboven gestelde inzake
de procedure 03/5475 WAO. De Raad ziet geen grond uit de in geding
gebrachte stukken de conclusie te trekken dat de psychische klachten van
appellant op de datum in geding veranderd waren ten opzichte van de
eerdere beoordeling. Voorts is ook de Raad ten aanzien van de door
appellant gestelde rugklachten van oordeel dat niet gezegd kan worden
dat deze op een geobjectiveerde medische afwijking berusten.
De grief dat het onbegrijpelijk is dat gelijkblijvende medische
beperkingen kunnen leiden tot indeling in een lagere
arbeidsongeschiktheidklasse kan de Raad niet volgen. De Raad verwijst
hiervoor naar de uitspraken gepubliceerd in RSV 1992, 207 en RSV 1993, 159. Bij een schatting die, als in de
onderhavige situatie, op zowel een medische als een arbeidskundige
grondslag gebaseerd is, kan ook bij ongewijzigde medische beperkingen de
mate van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de arbeidskundige
component aan verandering onderhevig zijn, zoals in het onderhavige
geval als gevolg van de aan de nieuwe schatting ten grondslag gelegde
gewijzigde schattingsmethodiek en de loonwaarde van de nieuw
geselecteerde functies het geval is.
Voorts is de Raad van oordeel dat de namens appellant in geding
gebrachte brief van het Uwv van 23 juni 2005, waarin te lezen valt dat
uit een onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden van appellant naar voren
was gekomen dat het verrichten van arbeid voor hem niet meer tot de
mogelijkheden behoorde, niet tot het oordeel kan leiden dat appellant
ten tijde in geding volledig arbeidsongeschikt was. Daartoe overweegt de
Raad in de eerste plaats dat een onderzoek in het kader van een reïntegratietraject
niet direct betekenis heeft voor de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid. In de tweede plaats moet de Raad ook constateren
dat genoemde brief ziet op een periode gelegen enige jaren na de data in
geding in beide procedures en derhalve ook daarom niet voor de
onderhavige beoordelingen van betekenis kan zijn.
Wat betreft de toepassing van de gewijzigde schattingsmethodiek, met
behulp van het zogenaamde claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS),
verwijst de Raad in de eerste plaats naar zijn uitspraken van 9 november
2004, LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722.
In bovenvermelde uitspraken heeft de Raad als één van de
onvolkomenheden van het CBBS aangegeven dat het systeem, anders dan het
geval was bij het FIS, er niet meer in voorziet dat zogeheten
markeringen, dat wil zeggen signaleringen ten teken dat met betrekking
tot een onderdeel of meer onderdelen van de functiebelasting sprake kan
zijn van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken
verzekerde op dat punt of op die punten, in het dossier terechtkomen.
Aan de arbeidsdeskundige worden dergelijke markeringen door het systeem
nog wel op het scherm gepresenteerd, maar ze komen vervolgens niet terug
in de geprinte versies van de CBBS-formulieren. Ook als gevolg hiervan
laat het zich door anderen dan functionarissen van het Uwv niet op
relatief eenvoudige wijze controleren of terecht het standpunt is
ingenomen dat de totale belasting van een functie binnen de medische
mogelijkheden van een betrokkene blijft.
Punten in de FML waarvoor geen corresponderend belastingpunt aan de
zijde van de functieanalyse bestaat, worden in het CBBS aangeduid als
zogeheten niet-matchende beoordelingspunten. In een dergelijke situatie
zal de arbeidsdeskundige steeds kenbaar, zo nodig in overleg met de
verzekeringsarts, ‘handmatig’ dienen te beoordelen of zulks in de
weg staat aan het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan
de geselecteerde functies.
In dit geding is sprake van een niet-matchend punt, namelijk 1.9.5,
appellant is aangewezen op een voorspelbare werksituatie. Op een vraag
hieromtrent van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige L.H.L.
Stiekema bij rapport van 27 oktober 2005 geantwoord dat alle aan de schatting ten grondslag
gelegde functies eenvoudige productiefuncties betreffen met een beperkt
aantal taken die dagelijks terugkeren. De Raad acht deze verklaring
overtuigend en ziet ook anderszins geen reden voor het oordeel dat de
geduide functies niet passend zouden zijn.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de onderhavige schatting op
een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust.
Echter, de Raad stelt vast dat het bestreden besluit 2 voor 1 juli 2005
is genomen en dat uiteindelijk in de hoger beroepsfase de gewenst
geachte arbeidskundige onderbouwing is gegeven. Gelet op het standpunt
van de Raad met betrekking tot het CBBS heeft dit tot gevolg dat
bestreden besluit 2 dient te worden vernietigd wegens strijd met de
artikelen 3:2 en 7:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb). Dit betekent dat uitspraak 2 niet in stand kan blijven. De Raad
ziet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen aanleiding om met toepassing
van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen
van het vernietigde besluit 2 geheel in stand kunnen blijven.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in het hoger
beroep met als kenmerk 04/5870 WAO. Deze kosten worden begroot op €
644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,--
voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,--.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak van 25 september 2003;
Vernietigt de aangevallen uitspraak van 21 september 2004;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 23 december 2003
gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit geheel in
stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de
Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 118,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en mr.
M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in
tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 22 februari 2006.
(get.) M.S.E. Wulffraat- van Dijk.
(get.) P. van der Wal.
|
|