|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/687 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. G.Z.U. Virágh, advocaat te Bergen op Zoom,
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 22
december 2003 tussen partijen gegeven uitspraak, nummer AWB 02/4548 WAO,
waarnaar hierbij wordt verwezen. Als opvolgend gemachtigde heeft mr. B.
Vermeissen, advocaat te Tholen, op 12 maart 2004 de gronden ingediend.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 december 2005,
waar namens appellant is verschenen mr. P.E. Schuchmann, kantoorgenote van de gemachtigde, en waar namens
gedaagde is verschenen mr. M. Oltmans, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant is werkzaam geweest als buisleidinglegger en is op 21
september 1999 voor zijn werkzaamheden uitgevallen wegens knie- en
beenklachten.
Appellant ontving in aansluiting op de wachttijd een uitkering op grond
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Naar aanleiding van de zogeheten eerstejaarsherbeoordeling is bij
besluit van 12 oktober 2001 de mate van arbeidsongeschiktheid per 10
december 2001 herzien naar 35 tot 45%. Het hiertegen gemaakte bezwaar is
bij besluit van 5 september 2002 (hierna: het bestreden besluit)
ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de in rubriek I vermelde
uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De
rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat
gedaagde van onjuiste medische beperkingen bij appellant is uitgegaan.
Zij heeft voorts vastgesteld dat de omschrijvingen van de geduide
functies passen binnen het ten aanzien van appellant opgestelde
belastbaarheidspatroon. Appellant was dan ook naar het oordeel van de
rechtbank per 10 december 2001 in staat te achten de door de
arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het
belastbaarheidspatroon aangescherpt dient te worden aangezien appellant
de rechterknie niet kan buigen. Hierdoor is appellant ook niet in staat
om de geduide functies te vervullen. Tevens is aangegeven dat geen
aandacht is besteed aan de zwaarlijvigheid van appellant. Voorts is
aangevoerd dat geen rekening is gehouden met de geconstateerde
psychische klachten.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel
van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Aan de Raad is niet kunnen blijken dat het door de
bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans bij zijn rapportage van 19 februari 2002 gevoegde
belastbaarheidspatroon van appellant van
eveneens 19 februari 2002 geen juiste weergave vormt van de bij hem ten
tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. De
bezwaarverzekeringsarts heeft het belastbaarheidspatroon van de
verzekeringsarts op enkele onderdelen bijgesteld. Deze onderdelen
betreffen de belasting van de rechterknie. Deze is, aldus Offermans,
beperkt belastbaar als gevolg van een aantal traumatische laesies in
combinatie met overgewicht, dat volgens vast jurisprudentie van de Raad
op zichzelf overigens geen ziekte of gebrek is.
Al eerder heeft de Raad overwogen dat in artikel 18 van de WAO - voor
zover in dit verband van belang - is bepaald dat arbeidsongeschikt is
degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg
van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met
arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding
en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van
de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake
is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden
naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet
kan of mag verrichten.
Hetgeen in hoger beroep namens appellant is aangevoerd ten aanzien van
onder andere zijn psychische gesteldheid, hetgeen overigens niet is
onderbouwd met nadere gegevens, biedt onvoldoende aanknopingspunten voor
het oordeel dat daarvan in dit geval sprake is.
Aldus uitgaande van de juistheid van de door gedaagde aangenomen
beperkingen bij appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid is
de Raad niet gebleken dat appellant de werkzaamheden behorende bij de
door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellant voorgehouden
functies niet zou kunnen verrichten. De bezwaarverzekeringsarts
Offermans heeft, als hiervoor aangegeven, het belastbaarheidspatroon
enigszins aangescherpt en de bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw heeft
in haar rapportage van 7 augustus 2002 hiermee aldus rekening gehouden,
dat van de in de primaire fase van de besluitvorming geduide functies
uiteindelijk de functies bankbediende, confectienaaister en samensteller
metaalproducten de schatting kunnen dragen.
De aldus resterende functies kunnen ook naar het oordeel van de Raad,
gelet op met name het evengenoemde rapport van 7 augustus 2002, als
passend worden aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad is met alle
klachten voldoende rekening gehouden en van een absolute belemmering om
de geduide functies te vervullen in verband met de beperkingen,
voortvloeiend uit de problematiek van de rechterknie, is de Raad, mede
gelet op het verhandelde ter zitting, niet gebleken. Vergelijking van de
mediane loonwaarde van de drie hoogstverlonende functies met het voor
appellant geldende maatmaninkomen resulteert in een verlies aan
verdiencapaciteit van 39,73%. Gedaagde heeft derhalve terecht de mate
van arbeidsongeschiktheid van appellant bepaald op 35 tot 45%.
Nu in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
ook overigens geen aanleiding bestaat om het bestreden besluit in rechte
niet juist te achten, volgt uit het hiervoor overwogene dat de hiervoor
vermelde rechtsvraag bevestigend moet worden beantwoord. De aangevallen
uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is
verklaard, komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28
februari 2006.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|