|
Uitspraak
04/5629 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 19 maart 2003 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellante tegen het besluit van 25 november 2002, waarbij
de door haar verschuldigde, gedifferentieerde premie als bedoeld in
artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor het
premiejaar 2003 is vastgesteld op 1,34%.
De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 23 augustus
2004, registratienummer 03/1269, het namens appellante tegen dat besluit
ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante is bij gemachtigde mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg,
op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van 19 november 2004 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in
hoger beroep gekomen.
Bij brief van 18 april 2005 is namens appellante een nader stuk in het
geding gebracht.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 29 april 2005, ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 17 mei 2005 het namens
appellante bij hem ingediende, aanvullend bezwaarschrift van 25 februari
2003, overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 januari
2006, waar voor appellante is verschenen mr. Van Zijl, voornoemd, en waar gedaagde
- zoals aangekondigd - zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop berustende
bepalingen, zoals deze luidden ten tijde als hier van belang.
De door appellante als grote werkgever verschuldigde premie als bedoeld
in artikel 78 van de WAO voor het jaar 2003 is gebaseerd op het bedrag
aan uitkering dat in het jaar 2001 is uitbetaald aan een ex-werkneemster
van appellante.
Deze ex-werkneemster is bij appellante op 1 juni 2000 in dienst
getreden. Zij heeft zich op 22 augustus 2000 ziek gemeld, waarna aan
haar bij besluit van 8 augustus 2001 ingaande 21 augustus 2001 een
uitkering krachtens de WAO is toegekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 8 januari 2002
heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen dit besluit ongegrond
verklaard. Bij uitspraak van 16 april 2004 heeft de rechtbank het
besluit van 8 januari 2002 vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding
en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift van
appellante te nemen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het in rubriek I
vermelde premiebesluit van 19 maart 2003 in stand gelaten. Daarbij heeft
de rechtbank met betrekking tot de beroepsgrond van appellante dat haar
ex-werkneemster niet op haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag tot haar
in dienstbetrekking stond - in haar visie was haar ex-werkneemster al
eerder arbeidsongeschikt - onder verwijzing naar jurisprudentie van de
Raad overwogen dat artikel 87e van de WAO ook ziet op de ingangsdatum
van de uitkering. Wel kan gezien het bepaalde in artikel 4, tweede lid,
van het Besluit premiedifferentiatie WAO als grief worden aangevoerd dat
de ex-werkneemster op de door gedaagde vastgestelde eerste
arbeidsongeschiktheidsdag niet in dienstbetrekking stond tot appellante,
doch deze grief is niet aangevoerd.
Hangende het hoger beroep heeft gedaagde bij besluit van 12 april 2005
de aan de ex-werkneemster van appellante toegekende uitkering per 13
juni 2005 ingetrokken. Bij dit besluit heeft gedaagde toepassing gegeven
aan artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO, waarin is
bepaald dat gedaagde bevoegd is met betrekking tot uit deze wet
voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend
buiten aanmerking te laten arbeidsongeschiktheid, welke binnen een half
jaar na het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam, is ingetreden,
terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de
aanvang van zijn verzekering het intreden van arbeidsongeschiktheid
binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten.
In zijn verweerschrift heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat
dit besluit geen gevolgen heeft voor het in geschil zijnde
premiebesluit. Naar zijn mening vloeit uit het kasstelsel van artikel 6
van het Besluit premiedifferentiatie WAO voort dat een wijziging van een
uitkering zich eerst doet gevoelen wanneer het jaar van herziening het
refertejaar is.
Appellante meent evenwel dat het besluit van 12 april 2005 wel degelijk
gevolgen moet hebben voor de voor haar vastgestelde gedifferentieerde
premie voor het jaar 2003. Met dit besluit staat in haar visie vast dat
de betrokken ex-werkneemster op de eerste dag van haar
arbeidsongeschiktheid niet tot haar in dienstbetrekking stond. Bovendien
volgt uit dit besluit dat deze ex-werkneemster ten tijd van haar
indiensttreding werknemer was in de zin van artikel 2 van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea), zodat op grond van artikel
76f, vijfde lid, onder c, van de WAO (oud) de uitkering niet ten laste
komt van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Meer in het algemeen heeft appellante betoogd dat in een procedure
omtrent een premiebesluit als de onderwerpelijke de vraag of een
werknemer op de eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid in
dienstbetrekking stond tot de werkgever die naderhand wordt
geconfronteerd met een gedifferentieerde premie voortvloeiende uit een
aan die werknemer toegekende uitkering krachtens de WAO, beantwoording
behoeft. Zij heeft daarbij gesteld dat er onderscheid moet worden
gemaakt tussen de eerste arbeidsongeschiktheidsdag die geldt bij de
toekenning van een uitkering en de eerste arbeidsongeschiktheidsdag
die geldt bij de toerekening van een uitkering bij de berekening van de
hoogte van de gedifferentieerde premie. Bij de toekenning gaat het om de
eerste arbeidsongeschiktheidsdag in de zin van artikel 19 van de WAO.
Bij de toerekening gaat het evenwel om de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag in de zin van 19 van de Ziektewet. Dit laatste
volgt uit artikel 5, vierde lid, aanhef en onder a, van het Besluit
premiedifferentiatie WAO. Dit betekent naar de mening van appellante dat
artikel 87e van de WAO er niet aan in de weg staat dat in het kader van
een geschil over een besluit tot vaststelling van de gedifferentieerde
premie “de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid” in de zin van artikel 19 van de Ziektewet aan de orde kan
worden gesteld.
Tot slot heeft appellante naar voren gebracht dat, voorzover de Raad
haar op dit punt niet volgt, de aangevallen uitspraak nochtans voor
vernietiging in aanmerking komt omdat de rechtbank wel van het door haar
gemaakte onderscheid is uitgegaan.
De Raad overweegt allereerst dat met het besluit van 12 april 2005 niet
is gegeven dat de ex-werkneemster van appellante al arbeidsongeschikt
was voordat zij bij appellante in dienst trad. Dat de ingetreden
arbeidsongeschiktheid viel te verwachten betekent niet dat er al sprake
was van ingetreden arbeidsongeschiktheid. Gelet hierop kan evenmin
staande worden gehouden dat deze ex-werkneemster op de datum van haar
indiensttreding bij appellante recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en op die grond als arbeidsgehandicapte
in de zin van de Wet REA moet worden aangemerkt.
Met het besluit van 12 april 2005 is wel gegeven dat aan de
ex-werkneemster van appellante ten onrechte uitkering is verstrekt. Dit
betekent dat, zoals gedaagde ook heeft aangegeven, appellante op grond
van artikel 6 van het Besluit premiedifferentiatie WAO in aanmerking
komt voor premievermindering met betrekking tot het premiejaar 2007.
De Raad overweegt voorts dat hij bij uitspraken van 15 december 2005, LJN AU8869 en AU8870, heeft overwogen dat in een geschil met
betrekking tot een premiebesluit als het onderwerpelijke in verband met
het bepaalde in artikel 87e van de WAO niet de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag ter discussie kan staan. Dat de vaststelling
van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag mede bepalend is voor het
antwoord op de vraag of de betrokken werknemer op die dag wel in
dienstbetrekking stond tot de werkgever die als gevolg van een aan die
werknemer toegekende uitkering krachtens de WAO wordt geconfronteerd met
een opslag als bedoeld in artikel 4 van het besluit premiedifferentiatie
WAO, maakt dit niet anders. Indien in de procedure omtrent de toekenning
blijkt dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag onjuist is vastgesteld,
is daarmee gegeven dat er sprake is van een onjuist toegekende uitkering
in de zin van artikel 6 van het Besluit premiedifferentiatie WAO en
dient zulks te leiden tot premievermindering als voorzien in dit
artikel.
In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om thans
anders te oordelen. Voorzover er al een onderscheid kan worden gemaakt
tussen “ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid” in de zin
van artikel 19 van de Ziektewet en “de eerste werkdag waarop wegens
ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt”
in de zin van artikel 19 van de WAO, moet de Raad vaststellen dat
appellante eraan voorbijgaat dat op grond van artikel 4, vijfde lid,
aanhef en onder a, van het Besluit premiedifferentiatie WAO tevens als
voorwaarde voor toerekening van een arbeidsongeschiktheid aan een
werkgever geldt dat ter zake van de arbeidsongeschiktheid in de zin van
artikel 19 van de Ziektewet de wachttijd als bedoeld in artikel 19 van
de WAO is doorgemaakt. Dit betekent dat wie de eerste dag van de
ongeschiktheid tot het verrichten van de arbeid in de zin van artikel 19
van de Ziektewet ter discussie stelt, daarmede tevens ter discussie
stelt de doorgemaakte wachttijd en aldus de rechtmatigheid van de
uitkering, in het bijzonder met betrekking tot de ingangsdatum. Aan het
door appellante gemaakte onderscheid komt dan ook geen zelfstandige
betekenis toe. Het gaat immers om de toerekening van
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen krachtens de WAO.
De conclusie uit het voorgaande is dat de rechtbank in navolging van
gedaagde appellante terecht artikel 87e van de WAO heeft tegengeworpen.
Ook overigens kan de Raad zich vinden in hetgeen de rechtbank daarover
heeft overwogen. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 30 maart 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
|
|