|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/5724 WAO
U I T S P R A A K
Op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 oktober 2003, reg.nr.
02/1726 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.J. van der Woude, toentertijd werkzaam bij
Bureau Rechtshulp Zutphen, hoger beroep ingesteld.
Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 26 februari 2004 heeft mr. Van der Woude bericht niet
langer als gemachtigde voor appellante op te treden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2005.
Appellante is in persoon verschenen, vergezeld van haar echtgenoot. Uwv
heeft zich laten vertegenwoordigen door J.L. Gerritsen.
Na schorsing van het onderzoek ter zitting heeft appellante een aantal
medische gegevens ingezonden, afkomstig van de haar in Turkije behandeld
hebbende medici. Bij brief van 15 november 2005 heeft Uwv een reactie
hierop ingezonden van de bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter.
Het onderzoek is ter zitting van 3 maart 2006 voortgezet. Aldaar zijn
partijen verschenen als ter zitting van 9 september 2005.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank
daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad
volstaat hier met de vermelding dat Uwv bij het op bezwaar genomen
besluit van 24 oktober 2002 (het bestreden besluit) het besluit van 5
juli 2002 heeft gehandhaafd. Daarbij is afwijzend beslist op de aanvraag
van appellante om haar met ingang van 29 juni 2002 een uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te
kennen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven
dat Uwv de gezondheidstoestand van appellante per 29 juni 2002 en de
daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van haar arbeidsvermogen
niet onjuist heeft ingeschat. Daarbij heeft de rechtbank van belang
geacht dat Uwv bij zijn oordeelsvorming beschikte over recente
informatie van de behandelend neuroloog en internist van appellante. De
rechtbank heeft voorts geoordeeld dat appellante medisch gezien ten
tijde hier in geding in staat moest worden geacht de door de
arbeidsdeskundige voor haar geselecteerde functies te vervullen.
In hoger beroep heeft appellante uitsluitend grieven van medische aard
aangevoerd, daarbij in het bijzonder verwijzend naar in Turkije verricht
medisch onderzoek. Daaruit zou blijken dat bij haar sprake is van een
dubbele hernia en dat daarmee bij het vaststellen van de medische
beperkingen ten onrechte geen rekening is gehouden.
De Raad heeft in het verhandelde ter zitting van 9 september 2005
aanleiding gezien appellante in de gelegenheid te stellen vorenbedoelde
medische gegevens uit Turkije in te zenden en Uwv zich hierover te laten
uitlaten. Partijen hebben zoals in rubriek I van deze uitspraak al is
vermeld hiervan gebruik gemaakt.
Bij rapport van 4 november 2005 is de bezwaarverzekeringsarts De Kanter
tot de conclusie gekomen dat deze gegevens geen nieuw licht werpen op
het medisch feitencomplex dat de basis was voor de vaststelling van de
functionele mogelijkheden van appellante.
De Raad ontleent aan dit rapport geen aanwijzingen dat de
bezwaarverzekeringsarts niet serieus deze medische gegevens heeft
beoordeeld of deze onjuist heeft geïnterpreteerd.
Mede gelet op het verhandelde op de hoorzitting in de bezwaarfase,
waarin van de zijde van appellante is kenbaar gemaakt dat de medische
gegevens uit Turkije in overeenstemming zijn met de aan de
bezwaarverzekeringsarts al bekend zijnde bevindingen van de haar in
Nederland behandelende neuroloog en internist, heeft de Raad geen
aanleiding gezien diens hiervoor vermelde conclusie niet te volgen.
Ter zitting heeft appellante gewezen op de inhoud van een tweetal
brieven van respectievelijk 9 november 2005 en 17 februari 2006 van de
haar behandelend neuroloog H.C. Tjeerdsma. Deze betreffen evenwel haar
huidige gezondheidssituatie en dienen in dit geding buiten aanmerking te
worden gelaten. Indien appellante meent dat haar gezondheidssituatie na
de hier van belang zijnde datum van 29 juni 2002 is verslechterd staat
het haar vrij Uwv te verzoeken, met het oog op de vraag of zij op grond
daarvan voor WAO-uitkering in aanmerking komt, daarnaar onderzoek te
doen.
Aldus komt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 14 april 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|