|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/1765 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[verzoekster], wonende te [woonplaats] (voorheen: appellante, hierna:
verzoekster),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 8 maart 2005, 04/30
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoekster
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 11 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Bij besluit van 27 mei 2003 heeft het Uwv aan verzoekster meegedeeld dat
haar arbeidsongeschiktheidsuitkering per 1 januari 2001, op de voet van artikel 44 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), wordt uitbetaald op basis van
een (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit van 22 december 2003 heeft het Uwv dit bezwaar
ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het
bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd,
bepaald dat de mate van verzoeksters arbeidsongeschiktheid over het jaar
2001 wordt vastgesteld op 55-65% en bepaald dat dit besluit in de plaats
treedt van het vernietigde besluit. Het Uwv is ten slotte veroordeeld
tot vergoeding aan verzoekster van het betaalde griffierecht.
Verzoekster is in hoger beroep gekomen.
Bij schrijven van 5 augustus 2005 heeft het Uwv aan de Raad meegedeeld
een nieuwe beslissing op bezwaar, eveneens gedateerd 5 augustus 2005, te
hebben afgegeven waarin wordt vermeld dat verzoekster over het jaar 2001
ongewijzigd recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, en dat haar bezwaar gegrond wordt
verklaard.
Bij schrijven van 20 september 2005 en 17 oktober 2005 heeft verzoekster
aan de Raad opgave gedaan van door haar gemaakte kosten in bezwaar, in
beroep en in hoger beroep.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van het
geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.
II. OVERWEGINGEN
Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad
bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek
gesloten.
De Raad overweegt als volgt. Er bestaat tussen partijen geen geschil
meer over de kwestie die verzoekster in hoger beroep aan de Raad ter
beslissing heeft voorgelegd. Dat betekent dat verzoekster geen
procesbelang meer heeft bij een beslissing van de Raad op het hoger
beroep.
Dit brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep
niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Raad dient vervolgens antwoord te geven op de vraag of er aanleiding
bestaat de door verzoekster gevorderde kosten te vergoeden met
toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad overweegt dat, aangezien de rechtbank bij de aangevallen
uitspraak reeds heeft beslist ten aanzien van de proceskosten in verband
met de procedure in eerste aanleg, en verzoekster hiertegen geen hoger
beroep heeft ingesteld, thans slechts de in hoger beroep gemaakte kosten
ter beoordeling staan.
Voor zover de gevraagde vergoeding van kosten rechtsbijstand door mr. F.
Aerts betrekking heeft op de procedure in hoger beroep stelt de Raad
vast dat verzoekster op eigen naam een beroepschrift bij de Raad heeft
ingediend en mr. Aerts in hoger beroep geen enkele proceshandeling heeft
verricht die volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoeding
van kosten oplevert.
Het verzoek om een proceskostenveroordeling moet derhalve worden
afgewezen.
Wat betreft het verzoek het Uwv te veroordelen in de kosten gemaakt in
verband met de behandeling van het bezwaar voegt de Raad daar nog het
volgende aan toe. Ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb wordt
het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft
beslist; het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op
het bezwaar.
De Raad stelt vast dat verzoekster niet tijdig heeft verzocht om
vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar.
Voorts merkt de Raad nog op dat uit het bepaalde in artikel 22, vijfde
lid, van de Beroepswet volgt dat verzoekster zich met een verzoek om
vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht rechtstreeks
tot het Uwv kan wenden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter. De beslissing
is, in tegenwoordigheid van C. Tersteeg als griffier, uitgesproken in
het openbaar op 11 april 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) C. Tersteeg.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
|
|