|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/1057 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 15 januari 2004, 03/341
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, hoger beroep
ingesteld.
Namens het Uwv is een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 26 april 2005 heeft de Raad het Uwv verzocht om aan te
geven of zijn uitspraken van 9 november 2004 (LJN AR4716, AR 4717, AR
4718, AR4719, AR4721 en AR4722), aanleiding geven om in de onderhavige
zaak nog een nadere aanvulling en/of motivering op het bestreden besluit
in te sturen.
Bij brief van 20 mei 2005 heeft het Uwv op de hiervoor genoemde brief
gereageerd en een besluit van diezelfde datum ter kennis van de Raad
gebracht, waarbij het Uwv heeft besloten de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 26 september 2002 voort te
zetten naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 21
februari 2006, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn
verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 10 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het
Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen een eerder
genomen besluit van 25 juli 2002, waarbij is besloten de WAO-uitkering
van appellant te beëindigen vanaf 26 september 2002 omdat appellant niet langer arbeidsongeschikt werd
geacht.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant met name het feit betwist dat zijn
medische situatie verbeterd zou zijn en thans geen urenbeperking meer
zou gelden. Ook bestreed hij dat hij, gezien zijn medische beperkingen,
in staat was de aan hem geduide functies te kunnen verrichten.
Nadat bij brief van 26 april 2005 het Uwv was verzocht een
arbeidskundige toelichting te geven op het bestreden besluit heeft het
Uwv bij het in de rubriek I vermelde besluit van 20 mei 2005 (hierna:
het nieuwe besluit), besloten de WAO-uitkering van appellant per 6
september 2002 voort te zetten en te baseren op een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Voorts heeft het Uwv meegedeeld
dat het nieuwe besluit in de plaats komt van de beslissing van 25 juli
2002.
Met het nieuwe besluit is wijziging gebracht in het bestreden besluit.
Omdat het nieuwe besluit, naar het oordeel van de Raad, geheel aan het
beroep van appellant tegemoet komt, wordt ingevolge artikel 6:19, eerste
lid en artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep
tegen het bestreden besluit niet geacht mede gericht te zijn tegen het
nieuwe besluit en zal de Raad over het nieuwe besluit derhalve geen
oordeel geven.
De vraag rijst of appellant nog belang heeft bij het op vernietiging van
dit besluit gerichte hoger beroep.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit de vaste jurisprudentie
van de Raad volgt dat in een geval als het onderhavige belang bij
beoordeling van het bestreden besluit in principe is komen te vervallen,
tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het
toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb.
Namens appellant is in dit geval verzocht om als schadevergoeding te
betalen de wettelijke rente over de bruto na te betalen uitkering.
Nu het nieuwe besluit in de plaats is getreden van het besluit van 25
juli 2002 kunnen, naar het oordeel van de Raad, de aangevallen uitspraak
en het bestreden besluit niet in stand blijven, aangezien de
WAO-uitkering ten onrechte is beëindigd per 26 september 2002.
Gelet hierop dient het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb
te worden toegewezen.
Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellant toekomende
vergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen
uitkering dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 21
november 1995 (LJN ZB1495), gepubliceerd in JB 1995/314. Daaruit volgt
dat de eerste dag waarop gedaagde in casu over het bedrag van de niet
betaalbaar gestelde bruto-uitkering, wettelijke rente verschuldigd is,
gesteld moet worden op 1 oktober 2002, alsook dat deze rente
verschuldigd is tot aan de dag der algehele voldoening toe. Daarbij
geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de
wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over
dat jaar verschuldigde rente.
Voorts overweegt de Raad dat bij de berekening van de wettelijke rente,
als vorenbedoeld, rekening dient te worden gehouden met hetgeen het Uwv
krachtens een sociale zekerheidswet over hetzelfde tijdvak als waarop de
nabetaling van de uitkering betrekking heeft, bruto heeft moeten
verrekenen of aan derden bruto heeft moeten uitbetalen. De Raad zoekt
daarbij aansluiting bij hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn
arrest van 22 september 1995 (LJN ZF1824), gepubliceerd in JB 1995/275.
Appellant heeft voorts verzocht het Uwv te veroordelen in de
proceskosten die hij heeft gemaakt voor de behandeling van het bezwaar
en in de procedures in eerste aanleg en hoger beroep.
Met betrekking tot de vergoeding van de kosten gemaakt in verband met de
behandeling van het bezwaar, overweegt de Raad dat bij het nieuwe
besluit het Uwv appellant een bedrag van € 644,- heeft toegekend ter
vergoeding van de kosten aan zijn gemachtigde. Appellant heeft daar geen
bezwaar tegen gemaakt. Gelet hierop kan het verzoek van appellant tot
vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar buiten
bespreking blijven.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het
Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende
rechtsbijstand in beroep en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, derhalve in
totaal € 966,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot
vergoeding van de schade als hiervoor aangegeven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste
aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,- te betalen door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 118,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J.
Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 4 april 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.S.G. Staal.
|
|