|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/1436 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 februari 2004, 03/1103
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.H.B.M. Litjens, advocaat te Elst, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een, nadien aangevuld, verweerschrift ingediend.
Namens appellant zijn op 2 mei 2005, 10 mei 2005 en 10 maart 2006 nadere
stukken ingezonden. Het Uwv heeft bij schrijven van 28 februari 2006
aanvullende gegevens ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2006.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.H.B.M. Litjens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. L. Smid.
II. OVERWEGINGEN
Het bestreden besluit van 11 april 2003 berust op het standpunt dat
appellant op 8 januari 2003, de in geding zijnde datum, weliswaar
beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellant
met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden
verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
Appellant wordt voor minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht.
De van de zijde van appellant in bezwaar en beroep, en thans wederom in
hoger beroep, aangevoerde grieven betreffen de medische grondslag van
het bestreden besluit. Appellant is de mening toegedaan dat de
verzekeringsartsen onvoldoende rekening hebben gehouden met zijn
klachten welke onder meer bestaan uit regelmatige last van duizeligheid,
migraine, trombose en vermoeidheidsklachten. In verband met de laatste
klacht heeft appellant in hoger beroep een verslag van medisch onderzoek
door artsen van het UMC St. Radboud te Nijmegen overgelegd, waarin de
diagnose chronisch vermoeidheidsyndroom (CVS) genoemd wordt. Appellant
is het standpunt toegedaan volledig arbeidsongeschikt te zijn.
De Raad kan de rechtbank volgen in haar overwegingen dat de in het
dossier aanwezige medische gegevens voldoende aanknopingspunten bieden
voor het oordeel dat ten aanzien van appellant een juist medisch oordeel
met betrekking tot zijn beperkingen en mogelijkheden tot het verrichten
van arbeid is aangenomen. De Raad neemt in aanmerking dat uit de stukken
naar voren komt dat de verzekeringsartsen de door appellant aangedragen
medische verklaringen steeds in hun beoordeling hebben betrokken. Dit
heeft onder meer geleid tot een aanscherping van appellants
belastbaarheid.
De Raad merkt voorts op dat voorzover artsen de diagnose CVS hebben
gesteld, zulks is geschied bij gebrek aan enige objectief aantoonbaar
andere oorzaak welke kan dienen ter verklaring van appellants klachten,
in verband waarmee moet worden vastgesteld dat die diagnosestelling
uitsluitend berust op het subjectieve klachtenpatroon van betrokkene.
Dit vormt een ontoereikende basis voor het aannemen van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de arbeidsongeschikheidswetten.
Volgens vaste rechtspraak dient het wettelijk
arbeidsongeschiktheidsbegrip aldus te worden uitgelegd dat van
arbeidsongeschiktheid slechts sprake is als een verzekerde op medische
gronden en naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende
arbeid niet kan of mag verrichten.
Voor de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is door het
Uwv gebruik gemaakt van het zogenaamde claimbeoordelings- en
borgingssysteem (CBBS). Voor wat betreft de gebruikmaking van het CBBS
als nieuw ondersteunend systeem bij schattingen verwijst de Raad in de
eerste plaats naar zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN
AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722.
In bovenvermelde uitspraken heeft de Raad als één van de
onvolkomenheden van het CBBS aangegeven dat het systeem, anders dan het
geval was bij het FIS, er niet meer in voorziet dat zogeheten
markeringen, dat wil zeggen signaleringen ten teken dat met betrekking
tot een onderdeel of meer onderdelen van de functiebelasting sprake kan
zijn van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken
verzekerde op dat punt of op die punten, in het dossier terechtkomen.
Aan de arbeidsdeskundige worden dergelijke markeringen door het systeem
nog wel op het scherm gepresenteerd, maar deze komen vervolgens niet
terug in de geprinte versies van de CBBS-formulieren. Ook als gevolg
hiervan laat het zich door anderen dan functionarissen van het Uwv niet
op relatief eenvoudige wijze controleren of terecht het standpunt is
ingenomen dat de totale belasting van een functie binnen de medische
mogelijkheden van een betrokkene blijft.
Op grond van het vorenstaande, bezien in het licht van de meergenoemde
uitspraken van de Raad van 9 november 2004, moeten hogere eisen worden
gesteld aan de verslaglegging en motivering van
arbeidsongeschiktheidsschattingen met behulp van het CBBS.
De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen
en dat pas in de hoger beroepsfase, te weten met de rapporten van
bezwaararbeidsdeskundige J.K.J. Hettinga van 23 februari 2006 en het
rapport van bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick van dezelfde
datum, uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven.
Gelet op ’s-Raads hiervoor genoemde uitspraken met betrekking tot het
CBBS moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient
te worden vernietigd maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met
toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), geheel in stand worden gelaten.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het
Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende
rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep.
Ter zake van de op grond van artikel 7:15 Awb geclaimde kosten in
bezwaar merkt de Raad op dat slechts tot veroordeling in de proceskosten
van de bezwaarprocedure kan worden overgegaan indien zich een situatie
voordoet die is te kwalificeren als het herroepen van het in bezwaar
bestreden besluit wegens aan het bestuursorgaan te wijten
onrechtmatigheid. In casu, nu de Raad de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit in stand laat, doet zich een dergelijke situatie
niet voor.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in
stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
Werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste
aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,-, te betalen
door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan de griffier
van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W.
Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april
2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.P. Mulder.
|
|