|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/1577 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 februari
2004, 03/2714 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en gedaagde heeft een
verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2006. Voor
appellante is verschenen mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, en
namens het Uwv is verschenen A.W.G. Determan.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 20 november 2002 is geweigerd aan appellante per 12 juni
2002 een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Bij besluit van
22 mei 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het
evenvermelde besluit ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak is appellantes beroep tegen het bestreden
besluit ongegrond verklaard onder overweging (kort gezegd) dat niet
aannemelijk is gemaakt dat appellante op de datum in geding, 12 juni
2002, meer was beperkt dan vanwege het Uwv is vastgesteld, dat er geen
aanleiding bestaat tot het inschakelen van een onafhankelijke medisch
deskundige en dat de aan appellante voorgehouden functies binnen de
grenzen van de voor haar geldende belastbaarheid vallen.
In hoger beroep heeft appellante, onder inbreng van informatie van
appellantes huisarts F.J.H.J. van der Poel van 4 mei 2004, neuroloog A.L.
Strikwerda van 4 juli 2001 en het medisch dossier van de arbodienst Arbo
planning, de juistheid van de voor haar opgestelde functionele
mogelijkhedenlijst (FML) bestreden.
Appellante is van mening dat ten onrechte geen rekening is gehouden met
haar klachten ten gevolge van fibromyalgie.
De Raad overweegt als volgt.
Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat bij de door
verzekeringsarts I. Cordia opgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts
M.E.J. van Hooff onderschreven FML van 13 augustus 2002 appellantes
fysieke en psychische mogelijkheden niet zijn overschat.
Aan de opgestelde belastbaarheid ligt een medisch onderzoek van
appellante door Cordia, voornoemd, ten grondslag.
Deze arts heeft een anamnese afgenomen en lichamelijk onderzoek
verricht. In de rapportage van 13 augustus 2002 is vermeld dat bij oriënterend
lichamelijk onderzoek aan de armen geen afwijkingen werden gezien en dat
er geen sprake is van bewegingsbeperkingen of krachtsverlies. Appellante
heeft blijkens de anamnese zelf ook aangegeven dat de armklachten een
psychisch karakter hebben en dat zij er niet door wordt beperkt in haar
lichamelijke bezigheden.
De bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens zijn rapportage van 4 mei 2003
de in bezwaar overgelegde informatie van de huisarts Van der Poel van 30
december 2002 en van het psychomedisch centrum Parnassia van 16 januari
2003 beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat uit deze gegevens
niet blijkt van ernstiger beperkingen dan waarvan bij de totstandkoming
van de beslissing van 20 november 2002 is uitgegaan. Ook voor het
stellen van een urenbeperking is volgens deze arts geen aanleiding.
Appellante heeft in hoger beroep nog nadere medische informatie
overgelegd, doch niet gezegd kan worden dat deze gegevens een ander
licht op de medische kant van de zaak werpen. De Raad is niet kunnen
blijken dat vanwege het Uwv medisch gezien ondeugdelijke of anderszins
onjuiste conclusies zijn getrokken.
De Raad voegt hier nog aan toe dat in dit geding wordt geoordeeld over
de mate van arbeidsongeschiktheid op 12 juni 2002. Het feit dat aan
appellante ingaande 29 juni 2004 een WAO-uitkering in de hoogste
arbeidsongeschiktheidsklasse is toegekend heeft geen betekenis voor de
situatie per 12 juni 2002.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de aan appellante
voorgehouden functies passen binnen de grenzen van de opgestelde FML,
zodat moet worden aangenomen dat appellante deze functies kan vervullen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond
van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H.
Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 juni
2006.
(get.) J.Jansen.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|