|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/2136 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 29 maart 2004, 03/545
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 19 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2004.
Appellant was vertegenwoordigd door mr. J.F.J.A. Jennekens. Betrokkene
is verschenen, bijgestaan door mr. E.H. Hulst.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 22 juni 1998 is betrokkene per 29 juni 1998 een
uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80
tot 100%.
Op basis van dit besluit en vervolgbesluiten van 23 november 1998 en 28
september 1999 is aan betrokkene tot en met juni 2000 een volledige
WAO-uitkering uitbetaald.
Bij besluiten van 20 december 2000, 9 januari 2001 en 24 april 2002
heeft appellant bepaald dat de WAO-uitkering van betrokkene, onder
toepassing van artikel 44 van de WAO, in verband met wisselende
inkomsten in de periode van oktober 1998 tot en met juni 2000 dient te
worden uitbetaald naar een in die besluiten per maand aangegeven mate
van arbeidsongeschiktheid.
Bij besluit van 26 augustus 2002 heeft appellant van betrokkene een
bedrag van € 7.372,25 wegens teveel ontvangen WAO-uitkering over de
periode van 1 oktober 1998 tot en met 30 juni 2000 teruggevorderd.
Het door betrokkene tegen dit besluit ingediend bezwaar is door
appellant bij besluit van 25 maart 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
betrokkene tegen het besluit van 25 maart 2003 gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar
te nemen, een en ander met een aanvullende beslissing omtrent het
griffierecht.
De rechtbank is in haar uitspraak tot het oordeel gekomen dat van de
zijde van appellant bij betrokkene de verwachting is gewekt dat van
volledige terugvordering van het bedrag van € 7.372,25 zal worden
afgezien, zodat het vasthouden aan de volledige
terugvorderingsverplichting in strijd is met het beginsel van
rechtszekerheid.
Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak.
Appellant heeft er - kort samengevat - op gewezen dat artikel 57 van de
WAO verplicht tot het terugvorderen van hetgeen onverschuldigd is
betaald, dat van de zijde van appellant geen rechtens relevante
toezeggingen zijn gedaan en dat geen dringende redenen aanwezig zijn om
van de terugvordering af te zien.
De Raad overweegt het volgende.
Betrokkene bestrijdt niet dat aan hem een bedrag van € 7.372,25
onverschuldigd is betaald.
Betrokkene acht het niettemin onjuist dat hij dit bedrag in zijn geheel
aan appellant dient terug te betalen. Betrokkene heeft erop gewezen dat
hij zijn verdiensten steeds correct heeft opgegeven, er meer dan eens op
heeft aangedrongen dat appellant zijn verdiensten met zijn uitkering zal
verrekenen en dat het te wijten is aan trage besluitvorming door
appellant dat een te hoog bedrag is uitgekeerd. Zeker nu hij appellant
er bij herhaling op heeft gewezen dat zijn opgaven over zijn inkomsten
niet op juiste wijze worden verwerkt, acht hij het onjuist dat de
gevolgen van de trage besluitvorming geheel op hem worden afgewenteld.
Betrokkene heeft het bedrag dat hij teveel aan uitkering ontving
aanvankelijk gereserveerd ten behoeve van een door hem verwachte
terugvordering. Toen deze terugvordering uitbleef en hij als gevolg van
zijn ziekte, een motorongeval, een echtscheidingsprocedure en de
(aanvankelijke) weigering van een Ziektwetuitkering in financiële
moeilijkheden raakte, heeft hij dit bedrag aangewend om uit de problemen
te komen.
Betrokkene heeft er nog op gewezen dat hij, gelet op door de
arbeidsdeskundige tijdens een gesprek met hem op 19 mei 2000 gedane, in
haar rapport van 20 juni 2000 vermelde uitlatingen, erop mocht
vertrouwen dat niet het gehele bedrag dat hem onverschuldigd is betaald,
zou worden teruggevorderd.
De Raad kan betrokkene niet in zijn standpunt volgen.
Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO wordt, voor zover hier
van belang, uitkering die onverschuldigd is betaald, teruggevorderd. Dit
artikelonderdeel verplicht appellant tot terugvordering van
onverschuldigd gedane betalingen over te gaan.
Slechts indien dringende redenen aanwezig zijn, kan op grond van het
vierde lid van artikel 57 van de WAO geheel of gedeeltelijk van
terugvordering worden afgezien.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad kunnen dringende redenen als
bedoeld in het vierde lid van artikel 57 van de WAO slechts zijn gelegen
in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een terugvordering voor een
verzekerde heeft. Fouten gemaakt door appellant en gedane toezeggingen
kunnen geen dringende redenen opleveren, omdat deze omstandigheden niet
zien op de gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft.
Nu niet in geschil is dat appellant aan betrokkene onverschuldigd
uitkering heeft betaald tot een bedrag van € 7.372,25, volgt uit
artikel 57 van de WAO dat appellant dit bedrag van betrokkene dient
terug te vorderen, tenzij dringende redenen aanwezig zijn om dit niet
(volledig) te doen.
Van de aanwezigheid van dringende redenen is de Raad niet kunnen
blijken.
Betrokkene moet worden toegegeven dat, zoals de arbeidsdeskundige het in
zijn rapport van 20 juni 2000 beschrijft, appellant in gebreke is
gebleven om ondanks de accurate toezending van de verdiensten door
betrokkene, deze verdiensten consistent onder toepassing van artikel 44
van de WAO te verrekenen. Volgens vorenbedoelde vaste jurisprudentie kan
dit echter niet leiden tot het aannemen van de aanwezigheid van
dringende redenen, omdat dit niet ziet op de gevolgen die een
terugvordering voor betrokkene heeft.
Ook toezeggingen gedaan van de zijde van appellant omtrent de omvang van
de terugvordering kunnen - om dezelfde reden - niet leiden tot het
aannemen van de aanwezigheid van dringende redenen. De Raad laat dan ook
daar of in dit geval sprake is van een rechtens relevante toezegging en
volstaat ermee erop te wijzen dat de arbeidsdeskundige slechts heeft
verklaard appellant in overweging te geven de terugvordering te
beperken.
Dat de terugvordering betrokkene treft, neemt de Raad zonder meer aan.
Betrokkene heeft echter geenszins aangetoond dat de terugvordering voor
hem tot onaanvaardbare gevolgen leidt.
De Raad is dan ook van oordeel dat appellant bij besluit van 25 maart
2003, handhavend zijn besluit van 26 augustus 2002, terecht geen
dringende redenen aanwezig heeft geacht als bedoeld in artikel 57,
vierde lid van de WAO en van betrokkene een bedrag van € 7.372,25
heeft teruggevorderd.
Aangezien ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit
rechtens niet houdbaar is, slaagt het door appellant ingestelde hoger
beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Het
inleidend beroep dient alsnog ongegrond te worden verklaard.
Voor toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J.
Brand en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei
2006.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) C.D.A. Bos.
|
|