|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/2443 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2004, 02/1992
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2006. Namens
appellant is verschenen mr. W.C. de Jonge voornoemd. Het Uwv heeft zich,
met voorafgaand bericht, niet ter zitting laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.
Bij zijn oordeelvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant is op 25 september 2000 door ziekte uitgevallen voor zijn werk
als plaatwerker. In het kader van de beoordeling van de aanspraak van
appellant op een uitkering ingevolge de wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) na afloop van de wachttijd is
appellant onderzocht door de verzekeringsarts B.C.M. Admiraal. Zij
heeft, blijkens haar rapportage van 18 november 2001, bij appellant afwijkende bevindingen vastgesteld als
gevolg van ziekte of gebrek en was van mening dat appellant aangewezen
was op werkzaamheden die met name beperkt zijn te achten op energetische
gronden. Vervolgens heeft zij een belastbaarheidspatroon opgesteld. Na
onderzoek door de arbeidskundige is de mate van arbeidsongeschiktheid
vastgesteld op 35 tot 45%. Bij besluit van 11 december 2001 heeft het
Uwv aan appellant met ingang van 24 september 2001 een uitkering op
grond van de WAO toegekend conform het hiervoor genoemde
arbeidsongeschiktheidspercentage.
Namens appellant heeft zijn gemachtigde mr. W.C. de Jonge bezwaar
gemaakt. Ter onderbouwing van het bezwaar is een rapport, gedateerd 22
januari 2002, overgelegd dat is opgemaakt door mevrouw Verhage,
directrice van Instituut Psychosofia, Centrum voor Spirituele
Geneeswijze en Spirituele Dans. In een aanvullend bezwaarschrift heeft
de gemachtigde van appellant het Uwv verzocht bij gegrondverklaring van
het bezwaar, conform de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures, over te
gaan tot vergoeding van de kosten in bezwaar, waaronder de kosten van de
rapportage van mevrouw Verhage, groot € 291,62.
De bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep is, zoals uit zijn
rapportage van 10 juli 2002 blijkt, na onderzoek tot de conclusie
gekomen dat er medische redenen waren om af te wijken van het primaire
medische oordeel en appellant op en na de datum in geding niet in staat
te achten om duurzaam arbeid te verrichten. Zijns inziens was het nog
wat te vroeg om over te gaan tot een schatting in het kader van de WAO,
omdat er met name twijfel was aan de duurzaamheid van de te verrichten
arbeid. Die twijfel werd volgens Van der Stoep bevestigd door het feit
dat appellant per 19 februari 2002 wederom geaccepteerd was in de
Ziektewet.
Bij beslissing van 31 juli 2002 heeft het Uwv het bezwaar van appellant
gegrond verklaard en besloten hem - onder gedeeltelijke herroeping van
het besluit van 11 december 2001 - met ingang van 24 september 2001
een WAO-uitkering toe te kennen, vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met betrekking tot het verzoek
van appellants gemachtigde de kosten in bezwaar te vergoeden conform de
Wet kosten bestuurlijke voorprocedures, heeft het Uwv besloten om op
grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) de kosten van
door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand van € 644,- te
vergoeden. Het verzoek om vergoeding van de kosten gemaakt door de eigen
medisch adviseur van appellants gemachtigde is afgewezen. Naar de mening
van het Uwv kon mevrouw Verhage niet aangemerkt worden als een
geneeskundige zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid onder I, van de Wet
tarieven in strafzaken.
Tegen de weigering van het Uwv appellant de kosten te vergoeden voor de
door hem in bezwaar ingebrachte rapportage van mevrouw Verhage en het
ontbreken van een beslissing over het vergoeden van de wettelijke rente,
is namens appellant beroep ingesteld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond
verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe
heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv in het bestreden besluit
toepassing heeft gegeven aan de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures
en dat niet langer in geschil was dat die wet in dit geval niet van
toepassing was, aangezien het primaire besluit van 11 december 2001
dateerde, derhalve voor inwerkingtreding van de wet per 12 maart 2002.
Ten aanzien van de vraag of de rechtsgevolgen in stand konden blijven en
of het Uwv gehouden was de kosten te vergoeden die appellant heeft
gemaakt voor de inschakeling van mevrouw Verhage, heeft de rechtbank
bezien of analogische toepassing gegeven kon worden aan artikel 1,
aanhef en onder b, van het Bpb. Daarbij was het volgens de rechtbank van
belang of mevrouw Verhage is aan te merken als een (medisch) deskundige
in de zin van die bepaling. Onder verwijzing naar de bij appellants
gemachtigde bekende uitspraak van de Raad van 2 augustus 2002, nr.
02/1119 AAW, was de rechtbank van oordeel dat de rapportages die
appellant heeft laten opmaken door mevrouw Verhage niet afkomstig waren
van een medisch deskundige als hier bedoeld.
De rechtbank heeft voorts bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van
de proceskosten van appellant en de teruggave van griffierecht.
Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het in stand laten van
de rechtsgevolgen. Appellant stelt zich kort samengevat op het standpunt
dat de kosten verbonden aan de rapportage van mevrouw Verhage wel voor
vergoeding in aanmerking komen.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt voorop dat niet in geschil is dat ten tijde van belang de
Wet bestuurlijke voorprocedures niet van toepassing was, zodat de in
bezwaar gemaakte kosten niet vergoed konden worden op grond van het
artikel 7:15 (nieuw) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De
rechtbank heeft op deze grond het bestreden besluit dan ook terecht
vernietigd.
Met betrekking tot het in stand laten van de rechtsgevolgen overweegt de
Raad dat het in dit geval uitsluitend nog gaat om vergoeding van de
kosten van het door appellant in de bezwaarfase ingebrachte rapport van
mevrouw Verhage. Ter zitting is gebleken dat het Uwv de verzochte
wettelijke rente heeft vergoed.
Ten tijde van belang was inzake de vergoeding van in de bezwaarfase
gemaakte kosten het oude recht nog van toepassing. Volgens de vaste
jurisprudentie die onder het oude recht is ontwikkeld dienen in een
bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in beginsel voor rekening van
de betrokkene te blijven en kunnen deze slechts in bijzondere gevallen
voor vergoeding in aanmerking komen. In een geval als het onderhavige is
voor vergoeding van de bedoelde kosten slechts plaats indien de primaire
besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont dat gezegd moet worden
dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig besluit
heeft genomen.
Gelet op het voorgaande komt de Raad, anders dan de rechtbank, in de
onderhavige zaak eerst dan pas tot beantwoording van de vraag of mevrouw
Verhage aangemerkt dient te worden als een (medisch) deskundige in de
zin van aan artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb, indien hij eerst
de voorliggende vraag of het Uwv het besluit van 11 december 2001 tegen
beter weten in heeft genomen, bevestigend heeft beantwoord.
De gemachtigde van appellant heeft in verband hiermee desgevraagd ter
zitting verklaard dat zij meent dat er sprake is van besluitvorming
tegen beter weten in omdat de verzekeringsarts Admiraal een misslag
heeft gemaakt door aan te nemen dat appellant in staat was duurzaam
arbeid te verrichten. Gelet op appellants aandoening en hetgeen
daaromtrent in de medische wetenschap bekend is, had zij beter moeten
weten, aldus appellants gemachtigde.
Uit de rapportage van 18 november 2001 van de verzekeringsgeneeskundige
Admiraal blijkt dat zij appellant persoonlijk heeft gezien, een
uitvoerige anamnese heeft afgenomen en informatie heeft ingewonnen bij
de behandelend sector, zodat niet gezegd kan worden dat het onderzoek
door de verzekeringsarts niet zorgvuldig is geweest. Voorts is niet
gebleken dat zij welbewust feiten en omstandigheden heeft genegeerd. Zij
achtte structurele beperkingen aan de orde bij appellant die een
positieve indruk op haar maakte na een ingrijpende en intensieve
behandeling van een levensbedreigende aandoening.
Dat de bezwaarverzekeringsarts Stoep zich een ander beeld heeft gevormd
dan de verzekeringsarts Admiraal, is mede het gevolg van de
omstandigheid dat Stoep zijn oordeel tevens heeft gebaseerd op na het
besluit van 11 december 2001 bekend geworden feiten en omstandigheden.
Uit zijn rapportage van 10 juli 2002 blijkt namelijk dat appellant op 19
februari 2002 wederom geaccepteerd is in de Ziektewet en dat er toen
sprake was van toename van moeheidsklachten na de chemokuur en van
toename van psychische klachten door het niet accepteren van de ziekte.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat niet gezegd kan worden dat
het primaire besluit van 11 december 2001 dermate ernstige gebreken
vertoonde dat het Uwv daarbij tegen beter weten in een onrechtmatig
besluit heeft genomen.
Het hoger beroep slaag derhalve niet, zodat de aangevallen uitspraak - met verbetering van gronden
- dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J.
Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 30 mei 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.S.G. Staal.
|
|