|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/3819 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 juni 2004,
2003/1058 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.J. Crombag, advocaat te Geleen, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 15
juni 2005 een vraag van de Raad beantwoord.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 2 mei
2006, waar partijen - met kennisgeving - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellante was werkzaam als medewerkster staf vermogensbeheer toen zij
zich op 8 juni 1998 ziek meldde met gewrichtsklachten, veroorzaakt door
fybromyalgie. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd werd haar een
uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
In het kader van een beoordeling van haar recht op WAO-uitkering is
appellante op 16 december 2002 onderzocht door de verzekeringsarts P.
Meels. In zijn rapport van 17 december 2002 beschrijft Meels dat
appellante vanaf juni 2000 geleidelijk aan heeft hervat in haar eigen
werk tot een omvang van 24 uur per week. Volgens appellante is deze
werkinspanning het maximaal haalbare. Vanwege het ontbreken van externe
plausibiliteit achtte Meels evenwel, in het voetspoor van eerdere
beoordelingen in april en september 2002, geen reden aanwezig voor het
stellen van een urenbeperking. Wel diende volgens Meels teveel statische
belasting te worden voorkomen. Meels legde zijn bevindingen vast in een
(Kritische) Functionele Mogelijkhedenlijst van 17 december 2002. De
arbeidsdeskundige J.A.R. Huijnen heeft blijkens zijn rapport van 16
januari 2003 appellante aan de hand van de bevindingen van Meels en op
basis van de omschrijving van haar eigen werk en de belastende factoren
daarin geschikt geacht voor dat werk in volle omvang. Subsidiair heeft
Huijnen ook functies geduid aan appellante en daarvan uitgaande het
verlies aan verdienvermogen berekend op 12,61%. Vervolgens heeft het Uwv
bij besluit van 17 januari 2003 de WAO-uitkering van appellante met
ingang van 17 maart 2003 ingetrokken.
In de bezwaarprocedure heeft de gemachtigde van appellante aangegeven
dat in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
geen recente informatie bij de behandelend sector is opgevraagd. Voorts
is aangevoerd dat appellante niet in staat is haar eigen werk in volle
omvang uit te voeren en zijn bezwaren aangevoerd tegen de geduide
functies. De gemachtigde van appellante heeft verder bij brief van 13
mei 2003 - naar aanleiding van de hoorzitting op 29 april 2003 - meegedeeld ervan af te zien alsnog medische informatie van de huisarts
in te brengen omdat deze toen niet de beschikking had over nieuwe
informatie betreffende de gezondheidstoestand van appellante.
De bezwaarverzekeringsarts K. Corten heeft in haar rapport van 15 mei
2003 de beschikbare gegevens uitvoerig beschreven en vermeld dat
appellante, zoals zij ook aan Meels had gemeld, zich slechts in staat
achtte haar eigen werk maximaal 3x 8 uur per week te verrichten. Volgens
Corten voldeed appellante evenwel niet aan de criteria voor het stellen
van een urenbeperking. Corten onderschreef voorts de door Meels
vastgestelde FML, waarbij Corten in haar rapport met name de in de
rubrieken 3, 4 en 5 gestelde beperkingen uitvoerig besprak en
beoordeelde. Vervolgens achtte ook de bezwaararbeidsdeskundige J.J. van
der Naald appellante geschikt voor haar eigen werk en berekende hij - aanvullend
- het verlies aan verdienvermogen op basis van de geduide
functies na correctie van het maatmaninkomen op 13,71%. Daarna
handhaafde het Uwv het primaire besluit van 17 januari 2003 bij zijn
besluit van 20 juni 2003 (hierna: het bestreden besluit).
In beroep voerde de gemachtigde van appellante in essentie dezelfde
gronden aan als in de bezwaarprocedure. Voorts heeft de gemachtigde nog
informatie met bijlagen van de Natuurgeneeskundig Therapeut J. Verhiel
van 20 april 2004 aan de rechtbank doen toekomen.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen het niet inwinnen van
informatie bij de behandelend sector in dit geval niet onzorgvuldig te
achten. De rechtbank wees daartoe op de hiervoor genoemde brief van de
gemachtigde van appellante van 13 mei 2003. Vervolgens heeft de
rechtbank - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 14
oktober 2003 (RSV 2004,2) - geoordeeld aan de bevindingen van Verhiel
niet die waarde te kunnen hechten die appellante daaraan toegekend wenst
te zien. In die uitspraak is namelijk aangegeven dat voor de toepassing
van voor de WAO relevante arbeidsbeperkingen geldt dat die op in de
reguliere geneeskunde gebruikelijke wijze dienen te worden vastgesteld.
De rechtbank heeft voorts de medische grondslag van het bestreden
besluit onderschreven en zich verenigd met het oordeel van het Uwv dat
appellante op de datum in geding wederom in staat moest worden geacht
tot het verrichten van haar eigen werk, zodat van een relevant verlies
aan verdienvermogen geen sprake meer was.
In hoger beroep zijn de in eerdere fasen van de procedure namens
appellante voorgebrachte bezwaren in essentie herhaald.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank omtrent het bestreden
besluit. Hij tekent daarbij wat betreft het standpunt van appellante dat
het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb
aan dat volgens dit artikel het bestuursorgaan bij de voorbereiding van
een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de
af te wegen belangen. Deze bepaling brengt onder meer mee dat een
medisch oordeel inzake de beperkingen van een verzekerde dient te zijn
gebaseerd op een volledig en voldoende medisch onderzoek. Het niet
inwinnen van informatie bij de (voorheen) behandelend arts(en) kan
meebrengen dat het onderzoek niet aan deze eis voldoet. Het niet
inwinnen van deze informatie brengt echter, zoals ook de rechtbank
aangaf, niet zonder meer in alle gevallen mee dat het onderzoek als
onvoldoende zorgvuldig moet worden beoordeeld. De Raad is van oordeel
dat de rechtbank afdoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval het niet
inwinnen van nadere informatie bij de behandelend sector niet
onzorgvuldig moet worden geacht. De Raad stelt inzake de medische
beoordeling door het Uwv voorts vast dat in hoger beroep van de zijde
van appellante geen gegevens van medische aard zijn ingebracht die een
ander licht werpen op haar gezondheidstoestand op de datum bij het
bestreden besluit in geding.
Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de
Raad niet gebleken dat appellante, gelet op de vanwege het Uwv
vastgestelde beperkingen, op de datum in geding niet in staat was te
hervatten in haar eigen werk in volle omvang.
De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand
kan houden reeds op de grond dat appellante op de datum in geding
geschikt werd geacht voor haar eigen werk. De van de zijde van
appellante voorgedragen bezwaren tegen de vanwege het Uwv subsidiair of
aanvullend geduide functies behoeven derhalve geen bespreking.
Uit al het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te
worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in
het openbaar op 13 juni 2006.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|