|
Uitspraak
meervoudige kamer 03/3429 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 13 juni 2003, 02/534
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J. van Weersch, werkzaam bij de Stichting
Rechtsbijstand te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2006.
Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.J.
Lagerweij.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 6 mei 2002 heeft het Uwv, beslissend in bezwaar, aan
appellant met ingang van 10 juli 2000 een WAO-uitkering toegekend
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
Hangende het beroep tegen dit besluit bij de rechtbank heeft het Uwv bij
brief van 26 juni 2002 het besluit van 6 mei 2002 ingetrokken.
Bij brief van 2 juli 2002 heeft het Uwv medegedeeld het besluit van 6
mei 2002 toch te handhaven.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder verwijzing naar
vaste jurisprudentie van de Raad, zoals deze onder meer is neergelegd in
de uitspraken van 15 augustus 2000, nummer 97/11022 AAW/WAO,
gepubliceerd in USZ 2000/271, en van 10 januari 2001, nummer 98/1438
AAW, gepubliceerd in JB 2001/74, overwogen dat de intrekking van het
besluit waartegen het beroep zich richt - evenals de intrekking door een
daartoe bevoegde van een beroep na de beroepstermijn - niet ongedaan kan
worden gemaakt. Een uitzondering kan, aldus de rechtbank, worden gemaakt
indien sprake is van aan de intrekkende procespartij niet toe te rekenen
omstandigheden waardoor die partij - voor zover hier van belang - in een
situatie van dwaling verkeerde.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat zo’n situatie zich hier
niet ondubbelzinnig voordoet. Om redenen van proceseconomie en
doelmatige besluitvorming heeft de rechtbank niettemin de intrekking van
het besluit van 6 mei 2002 als niet gedaan beschouwd.
In hoger beroep bestrijdt appellant primair het oordeel van de rechtbank
dat de intrekking van het besluit van 6 mei 2002 als niet gedaan
beschouwd wordt. Appellant is van opvatting dat in de gegeven
omstandigheden het Uwv niet van de intrekking van dat besluit mocht
terugkomen.
Het beroep van appellant slaagt.
De intrekking van het besluit van 6 mei 2002 door een daartoe bevoegde,
heeft niet plaatsgevonden als gevolg van een aan het Uwv niet toe te
rekenen omstandigheid waardoor het in een situatie van dwaling
verkeerde. Zoals ook ter zitting in hoger beroep door het Uwv is erkend,
is sprake geweest van een aan het Uwv toe te rekenen fout. In zo een
situatie is het conform de vaste jurisprudentie van de Raad niet
mogelijk de intrekking van het besluit van 6 mei 2002 ongedaan te maken
teneinde de beroepsprocedure te kunnen voortzetten.
De door de rechtbank genoemde redenen van proceseconomie en doelmatige
besluitvorming kunnen er niet toe leiden dat eraan voorbij wordt gegaan
dat als gevolg van een niet ongedaan te maken intrekking van een besluit
het belang bij een uitspraak omtrent de rechtmatigheid van dat besluit
is vervallen en de beroepsprocedure - in strijd met hetgeen hiervoor is
overwogen - toch wordt voortgezet.
De uitspraak van de rechtbank - voor zover aangevochten - kan mitsdien
geen standhouden.
Het inleidend beroep zal, nu appellant als gevolg van de intrekking van
het besluit van 6 mei 2002 geen belang meer heeft bij een uitspraak
omtrent de rechtmatigheid van dat besluit, alsnog niet-ontvankelijk
worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75
van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de door appellant gemaakte
proceskosten. De kosten worden begroot op € 966,-- ter zake van in
beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 6 mei 2002 alsnog niet
ontvankelijk;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag
van € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 87,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J.
Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in
het openbaar op 10 juli 2006.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
|
|