|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/534 WAO en 04/2242 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2004,
02/607 WAO en 02/5675 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een besluit van 14 april
2004 ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2006.
Appellante is verschenen bij haar gemachtigde, mr. Klijnstra. Het Uwv
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellante was werkzaam als schoonmaakster. Op 22 februari 1995 is zij
uitgevallen wegens nek- en schouderklachten, die mede verband hielden
met psychische klachten. Met ingang van 21 februari 1996 zijn aan
appellante uitkeringen op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Met ingang van 7 mei
1996 zijn deze uitkeringen ingetrokken.
Per 3 augustus 1998, op welk moment appellante een uitkering op grond
van de Werkloosheidswet (WW) ontving, heeft zij zich ziek gemeld wegens
psychische klachten en galblaasklachten. In dit verband heeft appellante
een zogeheten eigen verklaring ingediend, die op 28 september 1998 door
het Uwv is ontvangen. Naar aanleiding van deze ziekmelding is het Uwv
overgegaan tot uitbetaling van ziekengeld.
Op 15 augustus 2000 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts
L.S. Dekhuijzen. Deze heeft op dezelfde datum een rapport uitgebracht,
waarin als diagnose is vermeld spanningsklachten, pijn in de bovenste
extremiteit en chronische aspecifieke rugpijn. In verband hiermee heeft
Dekhuijzen diverse beperkingen aangenomen, die zijn vastgelegd in een
belastbaarheidspatroon van 15 augustus 2000. Dekhuijzen heeft hierna
informatie bij de huisarts van appellante opgevraagd en heeft na
verkrijging van deze informatie op 25 oktober 2000 gerapporteerd dat de
informatie geen aanleiding geeft voor een andere inschatting van de
belastbaarheid. Hierbij heeft Dekhuijzen vermeld dat de ziekmelding per 3 augustus 1998 betrekking heeft op dezelfde ziekteoorzaak als de
ziekteoorzaak die heeft geleid tot de per 21 februari 1996 toegekende en
per 7 mei 1996 weer ingetrokken WAO-uitkering. Vervolgens heeft de
arbeidsdeskundige C.W. van de Rhee aan de hand van de vastgestelde
belastbaarheid functies voor appellante geselecteerd. In het door Van de
Rhee op 3 juli 2001 uitgebrachte rapport is vermeld dat de mate van
arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% moet worden gesteld. Bij
besluit van 2 oktober 2001 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante per
31 augustus 1998 een WAO-uitkering toe te kennen.
In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans
opnieuw de vastgestelde belastbaarheid van appellante bezien. In het
door Huijsmans op 20 oktober 2002 uitgebrachte rapport is vermeld dat er
geen aanleiding is om van verdergaande medische beperkingen uit te gaan.
Bij besluit van 19 november 2002 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv de
bezwaren van appellante ongegrond verklaard.
De rechtbank was van oordeel dat de door de verzekeringsarts
vastgestelde belastbaarheid, die door de bezwaarverzekeringsarts is
onderschreven, voor juist kan worden gehouden. De rechtbank heeft
evenwel overwogen dat bij de aan appellante voorgehouden functies
zogeheten asterisken voorkomen en dat door het Uwv onvoldoende is
toegelicht dat de desbetreffende functies desondanks in medisch opzicht
geschikt zijn. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de voor de
schatting gehanteerde functies zijn geselecteerd op 26 juni (de Raad
begrijpt:) 2001 en dat door het Uwv niet is nagegaan of de functies ook
op 31 augustus 1998, de in geding zijnde datum, in het Functie
Informatie Systeem aanwezig waren. In verband met een en ander heeft de
rechtbank het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit
vernietigd en het Uwv de opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar
te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Voorts heeft de rechtbank
beslissingen gegeven met betrekking tot de vergoeding van de
proceskosten en het griffierecht.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar medische
beperkingen zijn onderschat. Voorts heeft zij naar voren gebracht dat
naar aanleiding van haar ziekmelding per 3 augustus 1998 52 weken
ziekengeld is uitbetaald en vervolgens twee jaar lang WAO-uitkering,
zonder dat hierbij is aangegeven dat dit op voorschotbasis geschiedde.
Volgens appellante heeft het Uwv, door vervolgens te weigeren een
WAO-uitkering toe te kennen, in strijd gehandeld met het
rechtszekerheidsbeginsel.
Het Uwv heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, na nader
arbeidskundig onderzoek, op 14 april 2004 een nieuw besluit op bezwaar
genomen (hierna: besluit 2), waarbij de bezwaren van appellante tegen
het besluit van 2 oktober 2001 wederom ongegrond zijn verklaard. Aan dit
besluit liggen mede ten grondslag een rapport van de arbeidsdeskundige
J.P.M.V. Kerssens van 2 maart 2004, waarin de geschiktheid van de aan
appellante voorgehouden functies nader is toegelicht, en een rapport van
de bezwaararbeidsdeskundige E.F. Couvreur van 6 april 2004, waarin de
mate van arbeidsongeschiktheid is berekend aan de hand van
arbeidskundige gegevens die betrekking hebben op 31 augustus 1998.
Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd dat de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellante per 31 augustus 1998 terecht op
minder dan 15% is vastgesteld. Voorts heeft het Uwv zich op het
standpunt gesteld dat geen sprake is van strijd met het
vertrouwensbeginsel dan wel het rechtszekerheidsbeginsel. In dit
verband heeft het Uwv naar voren gebracht dat, mede nu zonder enige
schriftelijke berichtgeving uitkering is verstrekt, bij appellante niet
de verwachting is gewekt dat een WAO-uitkering zou worden toegekend
zonder een voorafgaand medisch en arbeidskundig onderzoek. Volgens het
Uwv zijn de uitbetalingen van WAO-uitkering op voorschotbasis geschied,
zij het dat dit niet aan appellante is meegedeeld.
De Raad overweegt als volgt.
In de eerste plaats stelt de Raad vast dat het besluit van 14 april
2004, dat is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank,
niet geheel aan het beroep van appellante tegemoet komt. De Raad zal
daarom met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep mede gericht achten tegen
het besluit van 14 april 2004. Hierbij heeft appellante een belang gehouden bij een
beoordeling van besluit 1, omdat verzocht is om het toekennen van een
schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb.
Voorts overweegt de Raad het volgende.
Gelet op de gedingstukken stelt de Raad vast dat het Uwv aan appellante
naar aanleiding van haar ziekmelding per 3 augustus 1998 gedurende 52 weken ziekengeld heeft verstrekt en dat het
Uwv hierna gedurende twee jaar feitelijk WAO-uitkering naar de hoogste
arbeidsongeschiktheidsklasse heeft betaald. Het Uwv heeft hierbij aan
appellante geen enkele mededeling gedaan met betrekking tot het karakter
van deze betalingen en heeft derhalve niet meegedeeld dat de uitbetaling
van arbeidsongeschiktheiduitkering op voorschotbasis geschiedde. In dit
verband merkt de Raad op dat de gemachtigde van appellante er ter
zitting van de Raad op heeft gewezen dat (ook) uit de bankafschriften
van appellante niet kan worden opgemaakt dat de desbetreffende
uitbetalingen voorschotten betroffen, hetgeen de gemachtigde van het Uwv
niet heeft bestreden.
De Raad is van oordeel dat gezien de bovengenoemde omstandigheden
besluit 2, waarbij de weigering om aan appellante met ingang van 31
augustus 1998, en mitsdien met een terugwerkende kracht van drie jaar,
een WAO-uitkering toe te kennen, onverminderd is gehandhaafd, in strijd
is met het rechtszekerheidsbeginsel. In dit verband verwijst de Raad
naar zijn uitspraak van 3 augustus 1993, gepubliceerd in RSV 1994/164.
Anders dan het Uwv meent kan uit de uitspraken van de Raad van 6 januari
2006, LJN AU9325 en AU9328, waarvan de eerstgenoemde uitspraak is
gepubliceerd in USZ 2006/73, niet worden opgemaakt dat de Raad zijn
jurisprudentie als in zijn uitspraak van 3 augustus 1993 is neergelegd,
niet langer handhaaft. In de door het Uwv bedoelde uitspraken was de
rechtszekerheid van de ontvanger van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
niet geschonden. Besluit 2 kan dan ook niet in stand blijven. De Raad
voegt hieraan toe dat het Uwv de WAO-uitkering niet eerder dan per 3
september 2001, zijnde twee maanden na de aanzeggingsbrief van 3 juli
2001 van de betrokken arbeidsdeskundige, zonder in strijd te komen met
het zorgvuldigheidsbeginsel, zou kunnen intrekken. Dit oordeel brengt
mee dat de overige in hoger beroep naar voren gebrachte grieven van
appellante onbesproken kunnen blijven.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere
gronden, zal worden bevestigd, met dien verstande dat het Uwv een nieuw
besluit op bezwaar zal moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze
uitspraak van de Raad is overwogen. Het beroep dat geacht wordt te zijn
gericht tegen het besluit van 14 april 2004 zal gegrond worden verklaard
en dit besluit zal worden vernietigd.
Met betrekking tot het door appellante gedane verzoek om
schadevergoeding overweegt de Raad het volgende. Zoals uit de
gedingstukken blijkt heeft het Uwv arbeidsongeschiktheidsuitkering aan
appellante uitbetaald over het tijdvak vanaf 31 augustus 1998 tot 1 september 2001. Vanaf die datum is aan appellante
WW-uitkering toegekend. De Raad gaat er dan ook van uit dat appellante
geen renteschade heeft geleden. Van overige voor vergoeding in
aanmerking komende schadeposten is de Raad niet gebleken. Het verzoek om
schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.
De Raad heeft aanleiding gezien om het Uwv op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op € 644,-- aan verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de Raad van
bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw
besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak
van de Raad is overwogen;
Verklaart het beroep dat geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit
van 14 april 2004 gegrond en vernietigt dit besluit;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag
groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het
betaalde griffierecht van € 87,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter
en Ch. van Voorst en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 28 juni 200
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) P. van der Wal.
|
|