|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/4230 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2004, 03/845
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.R. Molenaar, werkzaam bij MCI
Bedrijfsadviseurs te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2006.
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar. Het Uwv heeft
zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellante was laatstelijk werkzaam als fiscaal technisch medewerkster
bij de Belastingdienst. Als gevolg van rugklachten met uitstraling naar
de benen heeft zij zich op 16 februari 2001 ziek gemeld.
Verzekeringsarts A.L. Mathoera heeft in zijn rapport van 12 maart 2002
met betrekking tot zijn onderzoek op 26 februari 2002 vastgesteld dat
appellante beperkingen heeft voor statische en dynamische belasting van
de rug. Mathoera heeft vervolgens een functionele mogelijkhedenlijst (fml)
opgesteld waarbij diverse rugsparende beperkingen zijn aangenomen. Uit
de rapportage van arbeidsdeskundige H.H.M. van de Graaf van 10 mei 2002
blijkt dat een vergelijking van het voor appellante geldende
maatmaninkomen met het loon dat appellante nog kan verdienen met de voor
haar passend te achten werkzaamheden resulteert in een mate van
arbeidsongeschiktheid van 2,58%.
Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 21 mei 2002 geweigerd aan
appellante een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging
dat appellante, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op
15 februari 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Namens appellante heeft mr. Molenaar tegen dit besluit bezwaar
aangetekend. Hierbij is aangevoerd dat sprake is van verdergaande
beperkingen dan door verzekeringsarts Mathoera is aangenomen als gevolg
van appellantes rugklachten op grond waarvan zij in het geheel niet tot
het verrichten van arbeid in staat was.
In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns informatie
opgevraagd bij, en ontvangen van, appellantes huisarts F. Poelstra d.d.
10 oktober 2002, haar voormalige huisarts J. Nauta d.d. 21 november
2002, appellantes behandelend neuroloog B.J.M. van Moll d.d. 9 augustus
2001 en 5 november 2001 en orthopedisch chirurg H. Meijers d.d. 7 juni
2002. Voorts is namens appellante informatie overgelegd van de
behandelend assistent neurochirurg R. Herz te België d.d. 9 december
2002 en 10 januari 2003.
Op basis van dossieronderzoek en voormelde informatie heeft Brouns zich
in een ongedateerd rapport (gedingstuk B31), alsmede in de rapporten van
13 december 2002 en 30 januari 2003 op het standpunt gesteld dat de door
verzekeringsarts Mathoera opgestelde fml in voldoende mate rekening
houdt met appellantes beperkingen ten aanzien van het verrichten van
arbeid. Wat betreft de informatie afkomstig van dr. Herz is Brouns van
mening dat hieruit naar voren komt dat de situatie van appellante in
december 2002 verslechterd is ten opzichte van de in geding zijnde
datum.
Bij besluit van 5 februari 2003, hierna het bestreden besluit, heeft het
Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
Het namens appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is
door de rechtbank in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De
rechtbank heeft hierbij overwogen dat het Uwv voldoende rekening heeft
gehouden met de door appellante verstrekte medische informatie en voorts
dat voor zover de nadere medische bevindingen lijken te wijzen op
sterkere beperkingen dan voor 15 februari 2002 is aangegeven, deze
bevindingen (deels) dateren van na de datum in geding terwijl bovendien,
gelet op het arbeidskundig rapport van 18 november 2003, gesteld moet
worden dat de belasting van de geduide functies evident binnen de
beperkingen van de voor appellante geldende fml blijven.
In hoger beroep is namens appellante - wederom - betoogd dat op de in
geding zijnde datum sprake was van verdergaande beperkingen als gevolg
van rugklachten. Appellante stelt, onder verwijzing naar de medische
informatie van dr. Herz, dat sprake is van verdergaande beperkingen op
de in geding zijnde datum dan op basis van de informatie uit de
behandelend sector in Nederland blijkt.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
De Raad oordeelt als volgt.
Het geheel van (medische) informatie overziend is de Raad, anders dan de
rechtbank, van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts zich bij zijn
oordeelsvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de betekenis
van de van dr. Herz uit België afkomstige informatie omtrent
appellantes rug en of en zo ja, in hoeverre appellantes toestand, zoals
door dr. Herz aangetroffen en beschreven, achteraf bezien ook reeds aan
de orde was op de in geding zijnde datum. Voor zover Brouns stelt dat de
informatie van dr. Herz ziet op appellantes situatie van (ruim) na de in
geding zijnde datum, overweegt de Raad dat dr. Herz zijn bevindingen (mede) baseert op de op 13 maart 2002,
derhalve kort na de in geding zijnde datum, gemaakte MRI scans. Reeds
hierom kan niet zonder meer gesteld worden dat het oordeel van dr. Herz
- uitsluitend - ziet op appellantes situatie van ruim na de in geding
zijnde datum. In dit verband kan er ook niet aan worden voorbijgezien
dat de huisarts in zijn brief van 10 oktober 2002 reeds aangaf dat op de
datum in geding sprake was van Lumbago met als pseudo radiculair
aangeduide uitstraling in het been en dat zijns inziens - achteraf
bezien - op basis van de MRI-scan de diagnose radiculair syndroom als
gevolg van een HNP was.
Het voorgaande leidt er toe dat het bestreden besluit niet deugdelijk is
gemotiveerd en derhalve genomen is in strijd met artikel 7:12, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit brengt mee dat het
bestreden besluit, alsmede de aangevallen uitspraak, dient te worden
vernietigd.
Het Uwv zal met inachtneming van deze uitspraak van de Raad een nieuwe
beslissing op bezwaar moeten nemen. Voorts zal het Uwv, gelet op het
gegeven dat de gemachtigde van appellante op grond van artikel 8:73 van
de Awb verzocht heeft het Uwv te veroordelen in de schade aan de kant
van appellante, bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens
aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om
schade te vergoeden.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad ten slotte het
volgende.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het
Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende
rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep, derhalve in totaal € 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in eerste
aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J.
Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 11 juli 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.S.G. Staal.
|
|