|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/4281 WAO en 04/4282 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 1 juli 2004, 02/661 en
03/1016 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2006.
Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet
verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A.
Clerx.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het
Lisv.
Bij het bestreden besluit van 16 april 2002 (hierna: besluit 1) heeft
het Uwv een eerder besluit van 17 september 2001 gehandhaafd, waarbij
aan appellante met ingang van 7 juni 2001 een uitkering is toegekend ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Tegen dit besluit heeft appellante
beroep bij de rechtbank ingesteld, waarbij zij heeft overgelegd een
ongedateerd rapport van de zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard, die appellante
op 5 september 2002 heeft onderzocht en die haar vanaf medio 2002
volledig arbeidsongeschikt acht.
In de loop van de beroepsprocedure heeft het Uwv naar aanleiding van het
rapport van 10 augustus 2003 van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige
M.H.
Oeberius Kapteijn, psychiater te Hilversum, aangevuld met diens brief
van 19 november 2003, besluit 1 ingetrokken en vervangen door een nieuw
besluit op bezwaar van 17 december 2003 (hierna: besluit 2), waarbij
appellante - onder gegrondverklaring van haar bezwaar - per 7 juni 2001
een uitkering ingevolge de WAO is toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Bij besluit van 7 juli 2003 (hierna: besluit 3), welk besluit is genomen
in het kader van de herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid na één
jaar, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen een eerder besluit
van 5 november 2002 gegrond verklaard en bepaald dat appellante met
ingang van 7 juni 2002 45 tot 55% arbeidsongeschikt is.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, met bepalingen omtrent
griffierrecht en proceskostenvergoeding, het beroep tegen besluit 1
niet-ontvankelijk verklaard en de beroepen tegen de besluiten 2 en 3
ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij haar beoordeling van besluit 2 in aanmerking
genomen het rapport van 10 augustus 2003 van Oeberius Kapteijn, waarin
deze deskundige meedeelt dat hij zich kan verenigen met het door de
verzekeringsarts dr. C.M.B. Duwel op 11 september 2001 opgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts W.
Ruitenberg op 3 april 2002 geaccordeerde belastbaarheidspatroon, zij het dat het
werken onder tijdsdruk per 7 juni 2001 als volledig beperkt moet worden
aangemerkt en dat appellante niet gedurende 20 maar gedurende 12 tot 15
uren per week (maximaal vier uren per dag na de middag) de haar
voorgehouden werkzaamheden kan verrichten mits de beperking niet wordt
overschreden. Dit rapport is aangevuld bij brief van 19 november 2003,
waarin is aangegeven dat alleen de functies van huishoudelijk
medewerkster bejaardentehuis, melkgiftmonsternemer en helpende
thuiszorg voldoen aan de gestelde beperking omdat deze functies geen
aanmerkelijke tijdsdruk kennen. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking
genomen het rapport van 8 december 2003 van de bezwaararbeidsdeskundige
R.F. Meere, waarin is berekend dat appellante op basis van de drie
genoemde functies een verlies aan verdiencapaciteit heeft van 45,3%.
Bij de beoordeling van besluit 3 heeft de rechtbank overwogen dat, gelet
op de door Oeberius Kapteijn aangegeven volledige beperking van het
werken onder tijdsdruk, de door de bezwaarverzekeringsarts G.J. van der
Meent opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst van 14 maart 2003 niet
juist kan worden geacht wat betreft de daarin opgenomen belastbaarheid
met een normale productiedruk. Gelet echter op de in het rapport van 25
november 2003 door de bezwaararbeidsdeskundige Meere gegeven toelichting
en de omschrijvingen van de belasting van de functies is de rechtbank
van oordeel dat van werken onder tijdsdruk in de geduide functies geen
sprake is en dat het verlies aan verdiencapaciteit per 7 juni 2002 46,5%
bedraagt.
Het hoger beroep van appellante beperkt zich tot het oordeel van de
rechtbank over de besluiten 2 en 3. Zowel in beroep als in hoger beroep
is onder verwijzing naar het rapport van Busard aangevoerd dat de
belastbaarheid van appellante onjuist is vastgesteld en dat zij volledig
arbeidsongeschikt is.
Wat betreft de medische beoordeling is de Raad niet kunnen blijken dat
het door de bezwaarverzekeringsarts Ruitenberg geaccordeerde
belastbaarheidspatroon van 11 september 2001, zoals nadien door de deskundige Oeberius Kapteijn
aangescherpt, geen juiste weergave vormt van de bij appellante per 7
juni 2001 bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt dat Oeberius
Kapteijn blijkens zijn rapportage bij het beoordelen van de
belastbaarheid van appellante kennis droeg van het rapport van Busard en
gemotiveerd heeft aangegeven waarom de conclusie van Busard naar zijn
mening geen stand kan houden. Daaraan doet de bij brief van 14 januari
2004 van de gemachtigde van appellante toegezonden reactie van Busard op
het deskundigenrapport niet af. De rechtbank heeft terecht geen
aanleiding gezien te twijfelen aan het oordeel van de deskundige.
Hoewel het onderzoek van de deskundige niet tevens zag op de
gezondheidssituatie van appellante per 7 juni 2002 is de rechtbank er,
gelet op de datum van het onderzoek alsmede in aanmerking genomen het
geheel van omtrent appellante beschikbare medische gegevens terecht van
uit gegaan dat de gezondheidstoestand van appellante op die datum
ongewijzigd was.
Hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd maar overigens
niet is onderbouwd met nadere gegevens van medische aard, biedt
onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot
het opnieuw instellen van een nader medisch onderzoek.
Wat betreft de arbeidskundige beoordeling overweegt de Raad het
volgende. De schatting per 7 juni 2001 is gebaseerd op de geschiktheid
van appellante voor drie functies, namelijk huishoudelijk medewerkster
bejaardentehuis (fb-code 5425), melkmonsternemer (fb-code 6211) en
helpende thuiszorg (fb-code 5426). De Raad constateert dat één van de
twee functies van huishoudelijk medewerkster bejaardentehuis onder
fb-code 5425 een omvang kent van 16 uren per week. Hiermee wordt de door
Oeberius Kapteijn op medische gronden vastgestelde beperking tot
maximaal 15 uren per week overschreden. Onder verwijzing naar zijn
strikte jurisprudentie terzake van werktijdbeperking op medische gronden
- zie bij voorbeeld de uitspraak van 11 maart 2003, LJN AF8482 - is
de Raad van oordeel dat de betrokken functie niet aan de schatting per 1
juni 2001 ten grondslag kan worden gelegd. Het gevolg hiervan is dat
onder fb-code 5425 slechts drie, derhalve niet voldoende arbeidsplaatsen
resteren en dat deze functiecode moet vervallen. Met betrekking tot de
functie van helpende thuiszorg merkt de Raad op dat deze slechts in de
voormiddag verricht kan worden. Ook deze functie kan niet aan appellante
worden geduid omdat zij op medische gronden immers slechts in de
namiddag mag werken. Er resteert dan nog slechts één functie, hetgeen
onvoldoende is om de schatting op te kunnen baseren.
De schatting per 7 juni 2002 is gebaseerd op de functies van typiste (SBC-code
315110), assistente consultatiebureau (SBC-code 372091) en
melkgiftmonsternemer (SBC-code 251011). De Raad stelt vast dat ook twee
van de drie functies van assistente consultatiebureau onder SBC-code
372091 slechts in de ochtenduren verricht kunnen worden, zodat deze
functies niet aan de schatting ten grondslag kunnen worden gelegd. Dan
resteert onder deze SBC-code nog slechts één arbeidsplaats hetgeen
onvoldoende is om de functie te kunnen duiden. Er blijven nog slechts
twee functies over hetgeen onvoldoende is als grondslag voor de
schatting.
Een en ander leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak
voorzover deze betrekking heeft op de bestreden besluiten 2 en 3,
alsmede de bestreden besluiten 2 en 3 dienen te worden vernietigd.
Het Uwv zal nieuwe besluiten op bezwaar moeten nemen ter zake van
appellantes recht op WAO-uitkering per 7 juni 2001 en per 7 juni 2002.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van
appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor
verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op
de besluiten 2 en 3, behoudens voor zover daarin over de vergoeding van
proceskosten in eerste aanleg is beslist;
Verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten 2 en 3 gegrond en
vernietigt die besluiten;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen nieuwe besluiten op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger
beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het
uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de
Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 160,- (€ 29,- +
€ 29,- + € 102,-) vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas, voorzitter, en C.W.J. Schoor
en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 27 juni 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.S.G. Staal.
|
|