|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/2431 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 17 maart 2004,
03/3629 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 12 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. H. Ensing, advocaat te ’s-Gravenhage, een
verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2006. Appellant
heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan. Betrokkene en
haar gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht van verhindering, niet
verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij het bestreden besluit van 22 juli 2003 heeft appellant zijn eerdere
besluit van 19 juni 2002 herroepen en bepaald dat betrokkene per 24 juni
2002 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat zij niet verzekerd is
voor de WAO. Appellant heeft hieraan, onder verwijzing naar de
verklaring van betrokkene tijdens de hoorzitting van 9 oktober 2002, het
hierop gevolgde fraudeonderzoek en de verklaring van betrokkene bij de
hoorzitting van 5 maart 2003 ten grondslag gelegd dat betrokkene in de
periode van 1 mei 2000 tot 25 juni 2001niet via uitzendbureau Doeba als
rozenplukster werkzaam is geweest bij rozenkwekerijen in Bleiswijk.
De rechtbank heeft, met bepalingen omtrent proceskostenvergoeding en
vergoeding van griffierecht, het beroep van betrokkene tegen het
bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant
opgedragen een nieuw besluit te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank
is het onderzoek van appellant onzorgvuldig geweest, omdat slechts
navraag is gedaan bij tien van de 19 opdrachtgevers van uitzendbureau
Doeba bij wie de naam van betrokkene voorkomt op de bij de facturen
gevoegde urenstaten.
Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van die uitspraak bestreden
en zich op het standpunt gesteld dat aan het bestreden besluit voldoende
onderzoek ten grondslag ligt en dat de resultaten van dit onderzoek
ruimschoots voldoende waren om het bestreden besluit op te baseren.
Betrokkene heeft in het verweerschrift herhaald dat zij in de in geding
zijnde periode wel degelijk heeft gewerkt bij vele opdrachtgevers van
Doeba. Het onderzoek bij tien opdrachtgevers sluit volgens haar niet uit
dat zij bij andere opdrachtgevers heeft gewerkt. Uit het onderzoek is
gebleken dat de administratie van de ondervraagde inleners niet compleet
was en dat die van Doeba ondeugdelijk was. Betrokkene is het met de
rechtbank eens dat het onderzoek van appellant onvoldoende is geweest.
In geding is de vraag of de aangevallen uitspraak in rechte stand kan
houden. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Met appellant is de
Raad van oordeel dat aan het bestreden besluit voldoende onderzoek
vooraf is gegaan en dat de beschikbare gegevens ruim voldoende grondslag
bieden voor het bestreden besluit. Het is immers in beginsel aan de
aanvrager om de voor het recht op uitkering noodzakelijke controleerbare
gegevens aan te leveren. Niet alleen heeft betrokkene dat niet gedaan,
voor de Raad is op grond van het door appellant ingestelde onderzoek
voldoende komen vast te staan dat betrokkene onjuiste informatie heeft
verstrekt. In dat verband overweegt hij als volgt.
De door betrokkene gegeven informatie dat zij een jaar lang tot kort
voor haar bevalling zonder ziekteverzuim of vakantiedagen gedurende
gemiddeld 54 uren per week heeft gewerkt in fysiek zware arbeid als
rozenplukster, heeft terecht vragen bij appellant opgeroepen. Op de
hoorzitting gaf betrokkene vage en tegenstrijdige antwoorden en kon zij
geen naam noemen van een bedrijf waar zij heeft gewerkt en evenmin die
van een leidinggevende of collega. Slechts wist zij te vertellen dat zij
heeft gewerkt in Bleiswijk. Het onderzoek dat appellant vervolgens heeft
gedaan bij het administratiekantoor van uitzendbureau Doeba, bij tien
van de 19 inlenende bedrijven waar betrokkene volgens het
administratiekantoor zou hebben gewerkt alsmede bij de eigenaar van
Doeba is naar het oordeel van de Raad adequaat en zorgvuldig. Gebleken
is dat geen van de 19 inlenende bedrijven is gevestigd in Bleiswijk en
dat bij geen van deze bedrijven rozen worden gekweekt. Op grond van een
steekproef, genomen bij tien van de 19 bedrijven, is zeer onaannemelijk
dat betrokkene daar heeft gewerkt. Zes van de tien bedrijven verklaarden
bij voorbeeld dat zij geen vrouwen hadden ingeleend. De eigenaar van
Doeba heeft verklaard dat feitelijk niet meer is na te gaan waar een
werknemer heeft gewerkt omdat de urenbriefjes zijn weggegooid en de
urenlijsten lukraak zijn ingevuld. Betrokkene is geconfronteerd met de
resultaten van het onderzoek; zij heeft geen bewijzen kunnen overleggen
die twijfel wekken aan de uitkomsten van het onderzoek. Onder deze
omstandigheden heeft de rechtbank ten onrechte een verdergaand onderzoek
bij de overige negen bedrijven noodzakelijk geacht.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak
niet in stand kan blijven en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond
moet worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter
en M.C. Bruning en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 12 juli 2006.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) J.J. Janssen.
|
|