|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/6243 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats], Frankrijk (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2004,
03/2428 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft de Raad een nader schrijven doen toekomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2006.
Appellante is - zoals tevoren was bericht - niet verschenen. Het Uwv
heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 24 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het
Uwv appellantes bezwaar tegen een besluit van 14 januari 2003
niet-ontvankelijk verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat de
bewaartermijn eindigde op 25 februari 2003, dat het bezwaarschrift
blijkens het poststempel is verzonden op 26 februari 2003 en dat dit
door het Uwv is ontvangen op 28 februari 2003.
De rechtbank heeft appellantes beroep tegen het bestreden besluit bij de
aangevallen uitspraak ongegrond verklaard, onder overweging dat door
appellante geen gronden zijn aangevoerd die tot de slotsom kunnen leiden
dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat zij haar
bezwaar, gedateerd 22 februari 2003, in haar dorp op de post heeft gedaan en dat haar niet
bekend is wanneer deze post wordt opgehaald en verzonden. Verder heeft
appellante aangevoerd dat zij diverse medische klachten heeft, waaronder
hoofdpijn/migraine, dat zij haar echtgenoot moet verzorgen en dat zij
veel moet rusten.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante niet aannemelijk
heeft gemaakt haar bezwaarschrift tijdig ter post te hebben bezorgd. Op
geen enkele wijze is aannemelijk gemaakt dat zij de brief met het
bezwaarschrift eerder dan 26 februari 2003, de datum van het
poststempel, in de brievenbus heeft gedeponeerd.
Voorts ziet de Raad in de door appellante naar voren gebracht
omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat zij gedurende de
bezwaartermijn voortdurend buiten staat is geweest een bezwaarschrift
bij het Uwv in te dienen dan wel anderszins niet in verzuim is geweest.
De Raad is dan ook evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv
appellantes bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 14 juli 2006.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) P.H. Broier.
|
|