|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/4166 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 juni 2004, 03/44
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2006.
Appellante is daar niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.
II. MOTIVERING
Appellante, die destijds werkzaam was als receptioniste op het
Infocentrum van het GAB Groningen, heeft zich op 27 december 1993 ziek
gemeld na een ontslag, gevolgd door depressieve klachten en heeft per 1
januari 1996 een WAO-conforme uitkering ontvangen, vastgesteld naar de
arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.
Bij besluit van 6 maart 2000, in stand gelaten bij besluit van 24
augustus 2001 is deze, inmiddels naar een uitkering ingevolge de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) omgezette, uitkering ingaande
8 maart 2000 ingetrokken omdat appellante niet langer arbeidsongeschikt
werd geacht. De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 8 oktober 2002 laatstgenoemd besluit juist geoordeeld ten aanzien van
het medisch en arbeidskundig substraat, doch het besluit vernietigd
omdat een uitlooptermijn had moeten worden verleend. Tegen deze
uitspraak heeft appellante geen hoger beroep ingesteld.
Op 26 december 2000 had appellante zich inmiddels, tijdens het genot van
wachtgeld, wegens een polsbreuk opnieuw ziek gemeld. Bij besluit van 24
juni 2002, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 november
2002 (hierna: bestreden besluit), heeft het Uwv geweigerd aan appellante
naar aanleiding van deze ziekmelding een
WAO-uitkering toe te kennen. Het Uwv heeft daartoe in de eerste plaats -
in het kader van artikel 43a van de WAO - overwogen dat geen wachttijd
van vier weken van toepassing is, nu de oorzaak van de op 26 december
2000 ontstane arbeidsongeschiktheid niet dezelfde is als waarvoor eerder
een uitkering was toegekend. In de tweede plaats heeft het Uwv overwogen
- naar kennelijke bedoeling - dat appellante vanaf 26 december 2000 geen
52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag een onderzoeksrapport van
de verzekeringsarts F. Knol van 21 juni 2002, waarin deze constateert
dat de pols ten tijde van zijn onderzoek restloos genezen is en dat voor
het overige geen beperkingen tot het verrichten van arbeid als
rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken
geformuleerd kunnen worden, zodat de wachttijd van 52 weken niet wordt
voltooid.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het
bestreden besluit ongegrond verklaard, daartoe in hoofdzaak overwegende
dat er op medisch gebied geen sprake is van nieuwe gegevens na de
uitspraak van de rechtbank van 8 oktober 2002 en het daarin gegeven
oordeel over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante.
Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat er bij
haar geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot arbeid zijn. Subsidiair
heeft appellante verzocht om de benoeming van een medisch deskundige.
De Raad oordeelt als volgt.
Voorop staat dat appellante zich niet heeft verzet tegen het onderdeel
van het bestreden besluit betreffende de wachttijd van vier weken. Dit
onderdeel vormt derhalve tussen partijen geen geschilpunt.
Met betrekking tot de vraag of vanaf de arbeidsongeschiktheidsmelding
per 20 december 2000 al dan niet een wachttijd van 52 weken is vervuld
zijn met name van belang twee rapporten van medisch specialisten,
uitgebracht in de beroepszaak welke heeft geleid tot de uitspraak van de
rechtbank van 8 oktober 2002. Het eerste is een onderzoeksrapport van 2
maart 2001 van de zenuwarts C.J.F. Kemperman, met assistentie van de
psycholoog M.M. van Braak. In dit rapport, dat is uitgebracht op verzoek
van de bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes, constateert Kemperman dat
er bij appellante geen sprake is van een psychiatrische ziekte of
gebrek. Het tweede is een onderzoeksrapport van 21 maart 2002 van de
zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard, uitgebracht op verzoek van de gemachtigde
van appellante. In dit rapport concludeert Busard dat de belastbaarheid
van appellante te gering is voor het verrichten van reguliere arbeid.
Na afweging van deze rapporten kent de Raad aan het rapport van
Kemperman het meeste gewicht toe. Dit rapport sluit nauwkeuriger aan bij
het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip, hetwelk vereist dat wordt
nagegaan welke beperkingen op basis van objectieve ziekteverschijnselen
kunnen worden vastgesteld. De Raad acht het rapport ook overtuigend en
voorts in de vereiste opbouw goed toetsbaar, hetgeen voor het rapport
van Busard, dat op een minder uitgesproken vraagstelling berust, niet in
dezelfde mate geldt. De Raad ziet voorts geen aanleiding zelf een
deskundige te benoemen, zoals door appellante verzocht.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak in stand kan
blijven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter
en M.C. Bruning en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 12 juli 2006.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) J.J. Janssen.
|
|